Pieter Langendyk (1783 – 1856)

Het Wederzyds Huwelyks Bedrog

Vyfde Bedrijf

[Samenvatting]


Eerste tooneel

Klaar, Hans

Klaar zingt onder het schikken van ’t huisraad.

Hans

Wat is de waereld raar en vol veranderingen!

Klaar

Ja, d’een moet huilen, en den ander hoort men zingen.

Hans

Mevrouw van Schraalenstein is vrolykjes van geest.

Klaar

Zie daar, daar staat den brui! ’t Is lang genoeg geweest;
Ik werk niet meer, o neen; ’k zal, by den selleweeken,
Myn juffers handjes niet meer in koud water steeken.
’k Ben nou tog ryk genoeg; waarom zou ik het doen?

Hans

Je hebt gelyk, mevrouw: jou liefste heeft tog poen.
Nou ken jy in een koets, als and’re juffers, ryŽn,
Met knechten achter op, en paasjes van ter zyŽn
Beneven de koetsier. Heer! Wat zal dat een pracht
En staatsie zyn, mevrouw! Wat zal jy zyn geacht!
En ik hofmeester, ha!

Klaar

Wat ken je mooij vertellen!
Daar wordt gescheld.
Hofmeester, doe eens op; ik hoor daar iemand schellen.

Tweede Tooneel

Jan, Klaar, Hans

Jan

Myn suikerbekje! Kom ik nou niet gaauw weÍr hier?

Klaar

Dat had ik niet gedacht.

Jan

’k Heb zulken groot pleizier
In jou gezelschap, dat ik langer niet kon wachten.

Klaar

Zo speult jou beeldtenis my ook in myn’ gedachten.

Jan

Ik zal jou liefde ook wel beloonen, dat ’k wel weet.
Ik laat jou maaken zulken kostelyken kleed,
Dat ieder die ’t zal zien, zyne oogen uit zal kyken.
De grootste dame zal by jou een dienstmeid lyken.
Ik heb een mode voor je alleen gepraktizeert.

Klaar

Een nieuwe mode, liefste?

Jan

Ik zie wel, je begeerd
Dat ik ’t beduiŽn zal. Hoor toe: ’t is myn begeeren
Dat je een bonnet draagt, die heel mooij met pauwe veÍren,
In plaats van pluimen of senielje, is opgedaan;
En recht voor ’t voorhoofd zal het ad’lyk wapen staan
Van Schraalenstein, op die manier als de granaaten,
Die op de mutzen zyn genaaid van de soldaaten.

Klaar

Maar dat is al te vreemd.

Jan

Dat lykt zo in het eerst;
Maar als je ’t voor doet, zel ik je volgen om het zeerst.

Klaar

Die paauwe veÍren met dat wapen zou niet vleien.

Jan

Dat ’s om den adel van ’t kanailje te onderscheiŽn;
Want hedendaags is al te weinig onderscheid:
Al wat een juffer draagt, durft tans een kaale meid
Ten eerste nadoen om een snoeshaan te behaagen;
En dat’s ’er dan belet, als juffers wapens draagen.

Klaar

Ik zou beschaamd zyn, wech! Zy lachten me uit op straat.

Jan

Neen, al wat de adel draagt, hoe koddig, ’t is nooit quaad.
Voorts meen ik jou een kleed van goud of zilver laaken,
Fraai, op zyn oud Romeins of Grieks, te laaten maaken,
Waar van de sleep io ’t minst moet dertig ellen zyn,
Vol wapens geborduurd van goud, niet vals, maar fyn;
En deze sleep zal ik van paasjes laaten draagen;
Dan zal je zitten op een’ grooten zegewagen,
Gelyk een Schipio, of als een’ Hanebal.
Daar wordt gescheld, en Klaar doet open

Hans

’k Geloof warentig, die baron wordt dol of mal.

Jan

Hoe zeg je, broertje lief?

Hans

Niets; maar het lykt wel gekken.

Jan

Zwyg stil, vent, of jy zult den wagen moeten trekken.

Derde Tooneel

Klaar, Sofy, Charlotte, Konstance, Jan, Klaar,
Fop, Twee knechts van Karel

Karel tegen Sofy

Myn waarde lief, ik hiet u welkoom in ons huis.

Jan

De duvel! ’k Ken dien vent; ’t is hier voor my niet pluis!

Konstance tegen Sofy:

Myn dochter, welkom.

Sofy

’k Bedank u altemaal.

Jan

Ik word nog ongeruster.
Is hy ’t? Of is hy’t niet? Ja ja, het is de vent.
Ik hoop, dat hy me in dit baronnen pak niet kent.

Karel

Wat is dit voor een heer? ’t Zal den baron ligt weezen.

Klaar

Ja, ’t is de heer baron.

Jan

Och! ik begin te vreezen.\

Karel tegen Jan:

Myn heer, ’k heb de eer van u...

Jan

Myn heer, exkuse moi,
Ik hiet jou wellekom; maar ik vertrek, ma foi!
Het zou me spyten, dat ik je zou diverteeren.
Ik blyf je serviteur.

Karel

Myn heer zal ons vereeren
Met zyn gezelschap... maar... hoe lykt die heer na Jan!

Jan tegen alle elke bezoeker:

Je suis vŰt serviteur.

Karel

Myn heer barron, ik kan
U zo niet laaten gaan. Indien’t u zou behaagen...

Jan

Myn heer, ’k heb haast.

Karel

Ik heb u ťťne zaak te vraagen.
Heb ik den heer baron voor deezen nooit gezien?

Jan

Daar heb je nou den brui. ’t Kon weezen, heer, misschien;
Maar hebje me gezien, zo is ’t geweest in Poolen.

Karel

Baron, wat kan een mensch raar in zyn mening doolen!
’k Zou zweeren, dat gy een van myn soldaaten waart,
Die laatst gedezerteert is met myn beste paerd.

Jan

Hoe lang is dat geleÍn?

Karel

Zes maanden is ’t geleden.

Jan

Dien tyd is myn lakkei me ook met een paerd ontreeden.

Karel

Ja wel, ’k zou zweeren, dat de schurk dezelfde was.

Jan

Hoe zal ’t hier met me gaan? Myn heer, ’t komt niet te pas,
Dat jy een man van myn karakter durft gelyken
By zulken gaauwdief. ’k Zweer, ik zal je laaten blyken,
Wie dat ik ben, al was ’t morbleu met dit rapier.

Karel

Myn heer, vergeef het my; wy hebben geen pleizier
Om heeren van fatsoen tot vyanden te maaken.

Jan

Hoe, pikken, zal ik uit dien vent zyn klaauwen raaken?
Myn heer, ’k vergeef het je, en vertrek met jou verlof.

Sofy tegen Karel:

Myn liefste, gy vergreept u aan dien heer te grof.

Karel

Het is de zelfde schurk, ik wil ’er wel op zweeren;
Hy is veranderd, door die pruik en deze kleÍren.

Jan

Uw dienaar dan, tot flus.

Karel

Baron, hoor nog ťťn woord!

Charlotte

Ik bid u, dat gy hem door vraagen niet verstoord.

Karel

Hoe is uw’ titel?

Jan

Die’s Ernestus, Mouris, Stokski,
Starost Lakkeiski, en Waiwode van de Bokski,
Heer van pasmentengoud, en kroonslakkei van ’t plein,
Baron en erfheer van het land van Schraalenstein.

Karel

Dien titel hoeft de heer baron zich niet te schaamen.

Jan

Ja, dat is blind voor jou, want dat zyn Poolse naamen.

Karel

Ik zal hem evenwel betrekken. Dat ’s een guit.
Uw serviteur, baron. Klaar, lei dien heer eens uit.

Jan

Kom, zoete Klaartje, kom myn schat, myn uitgeleezen;
Jy zelt myn baronnes, als ik beloofd heb, weezen.
Als Klaar en Jan aan de deur zyn, roept Karel schielyk:

Karel

Jan! Jan! Hoor hier nog eens!

Jan antwoord schielyk:

Myn heer, ik heb geen tyd!

Karel trekt zyn degen:

Ha! Schelm! Uw’ naam is Jan! Gy zyt het leeven quyt!
A Sa! geef uw geweer. Gy kunt het niet ontkennen,
Wie dat gy zyt.

Jan trekt zyn degen:

Wel, vent, de drommel moet je schennen;
Ik heb het je gezeid.

Karel

O dezerteur, o dief!

Sofy

Och, och! Ik ben ontsteld! Hou op! Hou op! Myn lief!

Karel

Loop t’zaam na binnen; de lakkeijen moeten blyven.

Vierde Tooneel

Karel, Jan, twee lakkeijen, Hans, Fop

Karel

’t Za mannen, vat hem aan.

Jan

O seldrement! Gantsch vyven!
Zy neemen hem z’n pruik en degen af.

Karel

Beken goedwillig waar myn paerd gebleeven is,
En wat gy voor hebt, schelm.

Jan knielende:

Ik bid vergiffenis!
Ik zal het altemaal, gelyk het is, verhaalen.
Jou paerd is dood; maar ’k wil de waarde graag betaalen.

Karel

Hoe komt het dood?

Jan

Kap’tein, ik heb het dood gereÍn!
Maar ’k heb wel geld om te betaalen, wees te vreÍn.

Karel

Neen, gy zult hangen, schurk: messieurs die dezerteeren
En paerden steelen, moet de hapscheer klimmen leeren.

Jan

Och! Zo barmhertigheid nog woont in jou gemoed,
Verschoon myn jonkheid!

Karel

Neen, dat gaf aan and’ren voet
Tot schelmeryen. ’k Geef ’t den krygsraad voort in hande.

Jan

Och! Goede heer kaptein! Behoed me voor die schande;
’t Zal jou weÍr dienen als en braaf soldaat moet doen.

Karel

Die eens een’ schelm is zal men ’t altyd van vermoÍn.
Laat al de juffers vry gerust hier weder keeren.

Hans

Kom hier vry weÍr; hij zal geen mensch nu kunnen deeren.

Vyfde Tooneel

Konstance, Sofy, Charlotte, Klaar, Jan, Karel,
twee lakkeijen, Hans, Fop

Jan

Och, och! Verschoon me, want ik ben van goeije lui
Met eere voortgebrocht Myn volk is al den brui
Bekend voor deugdzaam. Ach kaptein, ’k ben van de vromen,
Gelyk je weet, en ziet, en hoort, en tast, gekoomen.

Karel

’k Zal my bedenken; stel je een weinigje te vreÍn.

Jan

Maar zal ik hangen? Och! Kap’tein, ei zeg!

Karel

Neen, neen.
Gy zult niet hangen, Jan, maar door de spitsroÍ loopen,
Zo gy een paerd, zo goed als ’t myne was, kunt koopen.

Jan

’k Bedank je dan, kap’tein, maar ’t kittlen op myn’ huid
Staat me ook niet aan; ik bid, stel dat een jaartjen uit.

Karel

Wy zullen zien. Maar zeg, oprecht, en zonder liegen,
Wie dat die graaf is. Pas me op nieuws niet te bedriegen.

Jan

Kap’tein, ik heb hem eerst gevonden te Parys;
Hy is een Uitrechts heer, van adel, braaf en wys.
Wy kreegen kennis in een herberg door het speelen;
’k Wierd zyn lakkei, maar met konditie van te deelen
Al wat wy wonnen door knaphandigheid en kunst.
Ik drong in ’t kort zo in dien goeden heer zyn gunst,
Dat ’k van hem krygen kon al wat ik maar begeerde,
Zo dat ik als prins gestadig teerde en smeerde;
Nu was ik eens lakkei, en dan eens weÍr een heer;
’k Ben munnik ook geweest, baron, en nog veel meer.

Karel

Dan hebt gy u geneerd, naar ’k merk, met beurzesnyŽn?

Jan

Daar ben ik te eerlyk toe, tot zulke schelmeryŽn;
Neen, neen, wy wonnen ’t geld heel zuiver met de kaart.
Ik steel myn leeven niet.

Karel

Hoe kreegt gy dan myn paerd?

Jan

Dat was uit hoogen nood, tot berging van myn leeven.
Ik heb in ’t zin gehad je ’t paard weÍrom te geeven,
Of wel de waarde, in goud of zilver, zo je wilt.

Karel

Gy oppermeester van het valsche dobb’laarsgild,
’k Begeer geen geld dat met bedriegen is gewonnen.
Maar, biecht recht op: zoudt gy aen ons niet zeggen konnen,
Hoe dat de naam is van dien graaf, uw’ kammeraat?

Jan

Zyn naam is Lodewyk; maar ’k weet niet van zyn staat.
Als dat hy te Uitrecht en van adel is gebooren,
Als hy hier komt, zel jy de rest wel van hem hooren.

Karel

Wat zegt Charlotte nu? Charlotte Helaas! Ik ben misleid!
Hoe heeft hy my bekoord door zyne listigheid!

Klaar tegen Jan:

o Schelm! O vagebond! Wat heb jy al gelogen,
En my, onnoz’le duif, zo schandelyk bedrogen!

Hans

Mevrouw de baronnes, dat is je rechte loon.
Wat staan jou zaaken nou bezonder fraaij en schoon!
Nou ken je ryÍn op een’ gouwen staatsie wagen
Na Polen. Laat je sleep van dartig ellen draagen
Van paasjes; jou baron zal volgen; loop voor uit.

Klaar

Verwyt je my dat nog? Je bent hofmeester, guit.

Jan

Komt, laat me nou maar gaan; ik zal het geld gaan haalen.

Karel

Neen, hou hem vast; de schurk zal ’t met den hals betaalen.

Jan

Och! Nou weer hangen? Och, je gaf me flus pardon!

Karel

Hoe? Dacht gy dat ik u ook niet bedriegen kon?
Gy hebt zo veel bekend, myn’ gramschap zo ontsteeken,
Dat ik geen woord meer van gen‚ wil hooren spreeken.
’t Sa mannen, brengt hem weg, en bindt den schelm vast.

Jan

Genade, heer kaptein!

Karel

Volbrengt terstond myn last.

Jan

Wat onbarmhartigheid! Och, och! Wie zou ’t gelooven?
Myn heer kap’tein!

Karel

Voort, voort, ’t sa mannen, brengt hem boven,
En zet hem op de zaal gevangen, tot dat ik
Zyn kammeraad ook heb, en ze allebei beschik
In handen van ’t gerecht, om hunne straf te ontfangen.

Jan

Och! Wie had ooit gedacht, dat ik zou moeten hangen?
Och, Klaartje, spreek een woort ten beste, zoete kind!
Je weet het immers, dat ik jou zo heb bemind.

Klaar

Bedrieger! Schelm! Schavuit! Ik wil niet voor je spreeken;
Ik help je liever hals en kop en beenen breeken.

Zesde Tooneel

Karel, Sofy, Konstance, Charlotte, Klaar

Charlotte

Helaas! Wie had gedacht op zulk een ramp, o spyt!
’k Ben door dat snood bedrog byna myn zinnen quyt!

Konstance

Myn kind, ontstel zo niet.

Charlotte

Zou ik my niet ontstellen?
Men zal dit snood bedrog, dit schelmstuk, voort vertellen,
En my bespotten om myne al te losse min?

Karel

Ik bid u, zuster, stel die droefheit uit uw’ zin.

Charlotte

Ik zal, zo lang ik leef, die droeve ramp betreuren,
En ligtgeloovigheid. O hemel! Kan ’t gebeuren?
Het schynt onmoog’lyk, dat een heer, zo braaf, beleefd,
Die zo veel tekens van een eed’len afkomst geeft,
Bequaam zou zyn om sulken schelmstuk te verzinnen!

Karel

Myn zuster pryst hem, ja, zy schynt hem nog te minnen.

Charlotte

Ik weet niet, of ik haat of min; ’k vloek zyn bedrog,
Maar min, in weÍrwil van my zelfs, hem echter nog.

Klaar

Och juffrouw! Daar is nou voor ons niet meer te hoopen!
Myn heer zal myn baron, gelyk je weet, opknoopen;
En hoe het met den graaf, jou vryer, zal vergaan,
Dat zullen we, als hy hier gekomen is, verstaan.
En daarom raad ik jou dat wy maar met ons beiÍn
Na Brabant gaan, om in het klooster te beschreiÍn
Al ’t geene ons is gebeurd. Wy hebben ook wat schuld:
Wy zogten ’t spulletje.

Karel

Ik verlang met ongeduld,
Omdat hy nog niet koomt. Charlotte, ik moet u vragen:
Heb gy wel moeds genoeg om ’t schreiŽn en dat klaagen
Wat in te toomen, als de minnaar hier verschynt?
’t Is nodig dat gy u wat kloek houd’ en verpynt;
Want als hy merkte, dat gy hem niet kost vergeeten
En nog beminde, zou hy... Charlotte Ach! Hoe kan ik ’t weeten?
Maar neen, ’k kan zonder my te ontstellen hem niet zien.

Karel

Dan moet gy weg gaan, als hy koomt. Charlotte Het zal geschiÍn.

Klaar

Als jy hem ziet, dan zal je zeggen van den kaerel:
Hoe komt hy daar toe? ’t Is een man gelyk een paerel.
Daar word gebeld en Klaar doet op

Charlotte

Mevrouw, koom gaan wy; hy zal ’t mooglyk zyn, ach my!

Karel

Wees niet verschrikt. Gaa met malkaÍr wat aan een zy,
Zo gy nieuwsgierig zzyt om onze reÍn te hooren;
Maar wilt vooral, eer ik ’t gebiede, ons niet verstooren.

Klaar

Daar is de graaf, juffrouw. Wil voort na binnen gaan.

Karel

Gaat gy niet mede?

Klaar

O neen, ik durf wel blyven staan.

Karel

Flus waart gy zo ontsteld; nu schynt gy niet te schroomen.

Zevende Tooneel

Lodewyk, Karel, Klaar

Lodewyk

Heer kap’tein, ’k heb de eer, op uw verzoek te komen...

Karel

Gy koomt van pas. ’t Is waar, ol heb het zo begeerd.

Lodewyk

Om u te dienen...

Karel

Maar, waar heeft mynheer geleerd
Met my zo onbeschaamd te schertsen en raljeeren?
Doe dat ter plaatse daar gy gewens zyt te verkeeren.

Lodewy

k Heer kapitein, ik ben zo’n groet’nis niet gewend;
Het is een teken dat myn heer my nog niet kent.
Van uw beleeftheid had ik andere gedachten.

Karel

Myn heer, dat zy zo. Maar ik bid u, zoudt gy achten
Dat iemant schuldig is, wanneer hy wordt gehoond,
Den hooner eer te doen?

Lodewyk

De heer kap’tein verschoont
Zich zelfs bezonder vreemt; want ik kan niet bedenken,
Dat ik u heb gehoond.

Karel

My in myn eer te krenken?
Myn stamhuis smaad te doen?

Lodewyk

Dat is een duistre taal.
Wat zal ik denken van ditwonderlyk onthaal?
Zou hy iets merken van de list die ’k heb verzonnen?

Karel

Gy staat verzet, myn heer. Maar vindt men wel baronnen
In Polen van dien naam gelyk uw neef heet? Jan,
Baron van Schraalenstein?

Lodewyk

o Ja, hy weet ’er van.
Neen, dat’s een misslag; want dat land leit niet in Polen.

Karel

Ik hoor zo van uw’ neef.

Lodewyk

Van hem? Zyn’ zinnen doolen.
Het schort hem in ’t verstand. Nu merk ik dat de guit,
Die hondsvot, myn lakkei, de zaek hier heeft verbruid.
Myn heer, het is gelyk...

Karel

Hou op met meer te liegen!
Ik zweer, gy zult mym als de juffers, niet bedriegen!

Lodewyk trekt zyn degen:

Nu hebt gy my gehoond; a sa, dat schelms affront
Zult ge u beklaagen. Gy zult kloppen op den mond;
Of trek ’t geweer.

Klaar

Help! Help!

Karel

Ik zal niet met u vechten,
Maar laaten dat den beul met u, o schelm, bevechten.

Achtste Tooneel

Hans, een lakkei van Karel met de degens uit, Karel, Lodewyk, Klaar

Karel

’t Sa mannen, vat hem aan!

Lodewyk

Zyt gy een edelman,
Verweer u dan alleen; maar naar ik merken kan,
Zyt gy een’ bloodaard.

Karel

Gy moet myn gevangen weezen.
Zo gy onschuldig zyt, hebt gy geen straf te vreezen.

Lodewyk

Staa af, gy rekels, of ik stoot u in den huit.

Karel

Nu heb ik uw geweer. Maakt aanstonds nu besluit
Om in ’t gevangenhuis uw’ zaak te defendeeren.

Lodewyk

Zoudt gy een edelman, als ik ben, affronteeren?
’t Zal u berouwen, dat gy my dus dwingt met macht.

Karel

Uw eigen toeleg heeft u in den nood gebracht.
Beken nu wie gy zyt, ’t kon u tot voordeel strekken,
En wil my verder tot geen gramschap meer verwekken.
Uw knecht, die Jan heet, heeft het gansche werk bekend;
Hy zegt, dat ge edel en van goeden huize bent,
En hier gebooren; zo gy my dat kunt betoonen,
Geef ik myn woord, dat ik u verder niet zal hoonen.

Lodewyk

Dat is nog redelyk. Myn heer, gy spreekt zeer goed.
Weet, dat ik niet ontaar van ’t oud en aad’lyk bloed
Van myn geslacht, dat eer in luister plag te weezen
Door dapp’re daaden; doch, hoe hoog in top gereezen,
Is ’t door den tyd verarmd; en ik ben maar alleen
Nog overig, en zwerf met veel rampzaligheÍn.
Geperst door armoÍ, heb ik jong ons huis verlaaten,
En my begeeven by een kompanjie soldaten,
Daar ik my als kadet veel jaren by bevond.
Maar laas! ’t Fortuin heeft my haar’ gaven niet gegrond!
Ik wierd gevangen, zo dat ik in Vrankrijks raakte,
Daar my de tegenspoed nog verder moed’loos maakte.
Myn ov’rig leeven, heer, is van een and’ren aart;
Maar ’k heb de deugt in al myn tegenspoed bewaard,
Zo veel als ’t de armoede en de nood heeft konnen lyden.
Gy hebt verstand, en weet dat deugd en armoed’ stryden
In ’t zuiverste gemoed, wanner ’t geen uitkomst ziet.
’k Dagt my door listigheid te redden uit ’t verdriet,
Maar vind me op ’t onverwagtst in mynen waan bedrogen.

Karel

Myn heer, ik word met u door dit verhaal bewogen;
Maar gy verzuimt aan my te melden, hoe gy heet.
’k Ken hier al d’adeldom, zo ik niet beter weet.

Lodewyk

Myn heer, ik zou myn’ naam niet graag aan u ontdekken.

Karel

Myn heer, gy moet.

Lodewyk

Het kan u niet tot voordeel strekken.

Karel

Dan blyft gy my verdagt.

Lodewyk

Wel aan, ’k heet Lodewyk
Van Kaalenhuizen, maar...

Karel

Wat zegt gy? Ik bezwyk
Van schrik! Is ’t mogelyk? Zou dit de waarheid weezen?

Lodewyk

Hoe zyt gy zo ontstelt? Dat ’s raar! Wat doet u vreezen?

Karel

Myn heer, mislei my niet. Dat ik my zo ontstel,
Is zonder reden niet. Maar zeg my, weet gy wel,
Dat ik de magt heb om naauwkeurig uit te vinden,
Of gy de waarheid spreekt? Ik ken nu al uw vrinden,
Zo gy die heer zyt.

Lodewyk

’k Blyf voor altoos u verplicht,
Indien uw’ goedheid my in deze zaak verlicht.
’k Liet hier, toen ik vertrok, een’ zuster met een’ moeder.

Karel

En niemand meer, als die?

Lodewyk

O neen, myn jongste broeder
Was korts voor myn vertrek gestorven.

Karel

Ja, hy is ’t!
’t Is Lodewyk, die zo veel jaaren is gemist.

Lodewyk

Myn heer, ei zeg my, zyn zy beiden nog in ’t leeven?

Karel

Zyt maar gerust; ’k zal u terstont voldoening geeven.

Negende Tooneel

Lodewyk, Hans Lakkei

Lodewyk

Hoe beeft myn hart van schrik! De vrees ontroert myn bloed!
Wat baart dit voorval my verand’ring in ’t gemoed!
’k Kan niet bespeuren wat hy met my zal beginnen.

Tiende Tooneel

Karel, Sofy, Lodewyk, Lakkei, Hans

Karel

Myn lief, bezie dien heer met aandagt.

Sofy, Lodewyk omhelzende:

Ach wat vreugd!
Myn waarde broeder, ach!

Lodewyk

Myn zuster! ’k Ben verheugd,
Nu ik weder zie! Waar is Mevrouw, myn moeder?

Sofy

Die woont te Brussel, daar ze om u, myn’ waarde broeder,
Gestadig treurt, om dat ze u nooit denkt weÍr te zien.
Zy zal verheugd zijn, als ik u haar aan koom biÍn.

Karel tegen de Lakkei:

Haal Jan nu hier en laat myn zuster ook vry komen
En... maar zy zyn daar; ’k denk: zy hebben reets vernomen,
Wat hier geschied is.

Elfde Tooneel

Konstance, Charlotte, Klaar, Jan, gebonden,
Fop, Hans, twee Lakkeien van Karel,
Sofy, Karel, Lodewyk

Jan van de lakkeien vastgehouden wordende:

Och, nou moet ik hangen! Ja.
Myn heer kaptein, ’k bid om pardon! Gen‚! Gen‚!
’k Ben zo onnozel in de zaak als ’t eerst gebooren
Klein kindje.

Karel tegen Jan:

Zwyg wat stil! Men kan hier zien noch hooren.
Strak zult gy weeten, of gy hangen zult of niet.

Karel tegen Lodewyk:

Myn heer, ’k omhels u, en ik hoop dat gy ’t verdriet,
Dat ik u aandeed, my van harte zult vergeeven.
Wy moeten met malka‚r in zuiv’re vriendschap leven.
’k Leef met uw’ zuster in oprechte liefde en min.

Lodewyk

Hoe, is die heer uw man?

Sofy

Ja, ’k ben zijn’ gemalin.

Lodewyk tegen Karel

Dat ik u dan omhels.

Jan

Jy hoeft nou niet te vreezen.
Met jou is ’t blydschap, maar met my zal ’t hangen weezen!
Och pompernikkel! Och, och, och! Myn heer kap’tein!
De duvel haal dien naam, baron van Schraalenstein!

Lodewyk

Ach, myn Charlotte, die ik eeuwig zal beminnen,
Wat heb ik al misdaan! ’k Bid: wil u zelf verwinnen,
En laat uw gramschap my niet treffen, schoone maagd.
Zo u een edelman in plaats van graaf behaagt,
Maak dan een einde van myn’ al te droeve plaagen,
En laat my door de min niet quynen al myn’ dagen!

Charlotte

Myn heer, hoe kan ik? Gy hebt ons zo veel misdaan.

Sofy

Ei, zuster, ’k bid u, neem myn waarden broeder aan;
Schoon hy geen rykdom heeft, wat is daar aan gelegen?
Vrouwmoeder, na ik merk, is ook tot hem genegen;
En die bezit zoveel, en zulken grooten schat,
Dat gy wel leeven kunt...

Charlotte

Mevrouw, hoe vat ik dat?
Van welken kant zou dat geluk ons overkomen?

Sofy

Van uw’ kant, zuster.

Klaar

Ja, ja, dat zyn yd’le droomen;
Nou denk ik, dat Sofy mÍ fraaij bedrogen is.

Konstance

Sofia, meent gy my? Ik heb niet veel.

Klaar

Dat ’s mis.

Sofy tegen Karel:

Hebt gy my niet gezegt, myn Karel, dat zy schatten
En groote inkomsten heeft? Hoe kan ik dit nu vatten?

Lodewyk

Mevrouw wil veinzen en zy toetst u maar, Sofy.

Jan

Och! Moet ik hangen? Och! Kapteintje lief! Och my!

Karel

Het moet ’er toch eens uit. Myn lief, wil ’t my vergeeven,
Gy zyt misleid; en heb ik hier in wat misdreeven,
Het is in weerwil van myn eigen zelf geschied.
Ik hoop ons altemaal te helpen uit ’t verdriet.
Het ampt dat ik beklÍe, doet my op beter hoopen.

Jan

Och, och! Ik bid je, dat je my niet op wild knoopen!
Genade voor den heer baron van Schraalenstein!

Karel tegen Jan:

Zwyg, zeg ik.
Tegen Lodewyk:
Broeder, weet ik ben een kapitein.
Als ’t hem gelieft, kan hy met my na Brussel trekken.
’k Zal daar myn vrinden voort de gansche zaak ontdekken,
En maaken dat hy haast een officiers plaats kryg’.

Jan

En ik zal hangen?

Lodewyk

Hou den mond toe.

Jan

Och ik zwyg;
Maar ’k voel myn hart van schrik al in myn schoenen zygen.

Lodewyk

Heer broeder, ’k neem het aan; maar echter ’k kan niet zwygen,
Dat ik verwonderd ben van ’t geen mevrouw ons zegt.
Heeft zy geen hofstede, en zag ik geen boere knecht
Verscheiden’ zakjes geld nog dezen dag hier brengen?
Men spot nu met ons.

Karel

Neen, dat zou ik niet gehengen. Fop Ik speelde voor dien boer; jy rook niet wat ’er school;
En al dat vraagen deed men my maar om de kool.

Lodewyk

Maar kort daar aan quam hier een Waal, die veel juweelen
Heeft aan myn lief verkoft.

Hans

Un dief, hum zou ze steelen,
Zo mooi was de juweel, die ik jou heb verkoft.
Ik was de Waal, myn heer.

Lodewyk

Zo zyt gy mede een’ schoft.
Wy hebben dan malkaÍr, n‚ ’k merken kan, bedrogen?

Klaar

Ja, graaf, ik heb ’er me geen kleintje by gelogen.

Lodewyk

Maar evenwel, als ik bedenk,wat my myn’ waard
Van zekere erf’nis uit Oostinje heeft verklaard,
Gaat alles wat ik zie myn klein verstand te boven.

Klaar

Dat hebben wy aan al de waereld doen gelooven.
Mevrouw heeft buiten ’s huis den adel gebraveerd;
Maar altyd hebben wy heel sobertjes geteerd
In onze keuken, om de rest weer goed te maaken,
Op hoop dat juffrouw aan een man van staat zou raaken.
Ik heb schier al myn geld voor haar reets opgezet;
En daarom zocht ik jou te lokken in het net,
Op dat ik myn verschot daardoor zou weder krygen.
Myn broÍr en vryŽr ook...

Lodewyk

Gy kunt de rest maar zwygen.
Heer broeder, ik moet my nu schikken naar uw raad.

Karel

Gy moet niet trouwen, want gy zyt nog niet in staat
Om zuster, als ’t behoord, te kunnen maintineeren.
Wy zullen met malkaÍr naar Brussel weder keeren.

Klaar

Kom, Hansje, laaten wy maar trouwen; ’k heb berouw.

Hans

Neen, neen, jy baronnes van Schraalenstein, mevrouw,
’k Begeer jou niet. Ik ben jaloers, en mal van zinnen;
Je kunt dien kaerel, die nou hangen moet, beminnen.

Charlotte

Heer Lodewyk, ga meÍ na Brussel, blyf by ons.

Lodewyk

Dat zal ik doen, myn lief, zo ’t u behaaglyk zy.
Het smert my zeer, dat ik den trouwdag uit moet stellen.

Karel tegen de Lakkeien:

’k Wil dat gy deeze zaak aan niemand zult vertellen.
Tegen de anderen:
Men spoel de zwarigheid eens af met held’re wyn.

Klaar

’k Vrees dat het water nu al lang verkookt zal zyn.
Hoe staa je ’er me, baron? Begin je al dorst te krygen?

Jan

Myn heer kap’tein, zie daar, nou ken ik niet meer zwygen.
Zo jy me hangen laat, zal ik het al den brui
Wat hier gebeurd is, voort vertellen aan de lui!

Klaar

Als jy gehangen bent?

Jan

Als jy ge... han...gen? Neen ik.
Ik wacht zo lang niet, pry; maar eer ik dood ben, meen ik.

Lodewyk

Vergeeft het Jan, myn heer.

Karel

Ik geef u dan pardon.

Jan wordt ontbonden:

Ik dankje hartelyk.

Klaar

Dat lukt jou wel, baron.

Konstance

Maar hoe zal ik het met myn krediteuren stellen?
Ik ben vol schrik, wanneer ik iemant aan hoor schellen.

Karel

Betaal die uit het geld dat ik u zond, mevrouw.

Konstance

’k Zal zien; hoewel ik dan heel weinig overhou.

Twaalfde Tooneel

Lodewyk, Jan

Jan

Vaart wel myn titels van Ernestus, Mouris, Stokski,
Starost Lakeiski, en Waaiwooide van de Boxki;
Jy waart maar beesten; want je hulpt my in den druk;
Ik zoek met kaale Jan voortaan weÍr myn geluk.

Lodewyk

Jan, ik gaa binnen, om te zien hoe wy het maaken
Met onze dingen; ’k hoop in ’t kort op reis te raaken
Na Brussel. Haal ons goed hier en betaal den waard;
En met de dienaars kunt gy zien, hoe dat gy ’t klaart;
Gy kunt hen voor hun dienst zo veel ’t u goed dunkt geeven.

Dertiende Tooneel

Janalleen:

Dat zel je missen, broÍr! Je ziet me van jou leven
Niet weÍr, dat zweer ik! Bloed! Wat was ik daar bekneld!
Ik meen my zelve te bedienen van jou geld,
En ’t myne, dat ik heb, en denk zo ver te loopen,
Dat jy den derdemaal geen macht hebt me op te knoopen.
Vaart wel, bedriegers! En jy ook, heer kapitein!
Gy zyt gegroet van my, Baron van Schraalenstein.
Jan loopt schielyk de deur uit.

Eind van het vyfde en laatste Bedryf.