Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

AANTEKENINGEN


LEVENSSCHETS VAN DEN DICHTER.

  1. Op het Rijks-Museum te Amsterdam vindt men eenige etsen van zijne hand.
  2. Leeven v. Pieter Langedyk. achter Gedichten Dl. IV.
  3. Uitgebreider vindt men de Levensgeschiedenis in mijn Pieter Langendyk. Zijn leven en werken. 1891.

DE INLEIDING

  1. Men zou ook uit de feiten kunnen besluiten, dat de Spiegel in denzelfden tijd als de Cartouche is geschreven, en hij toen tijdelijk van meening was, dat de vrije maat de voorkeur verdiende. Dit is evenwel, al Langendyks werk in aanmerking genomen, niet te denken.
  2. Over de verschillende bewerkingen der intrige zie F. Z. Mehler. Pieter Langendijk 1892. Pirons stuk werd ook gedrukt onder den titel L’ Ecole des Pres.
  3. De woorden van den grootvader, dat dit antwoord hem duizenden guldens zal schelen, lijkt wat koopmansachtig, doch is niet onnatuurlijk. Of hooren wij niet dikwijls anderen van dagen hun dankbaarheid toonen door te zeggen: „als ik dood ben, zal je dit of dat hebben”?

HET TOONEELSTUK

  1. Tot beter begrip van den gang van het Blijspel diene het volgende:
  2. EERSTE BEDRYF. Als het scherm opgaat, is het op den middag, d.w.z. tegen twee uur, het gewone klokje voor den maaltijd. Hoewel men uit de woorden van Michel: „Wil stoe nigt vretten? De spies is kold geworden", uit het gereedmaken van de suikertafel, en uit het kortstondige verdwijnen van den gastheer Lichthart en zijn neef, (gedurende ’t 4e en 5e tooneel) zou opmaken, dat de maaltijd reeds was afgeloopen, wordt het tegendeel bewezen door de woorden van Hendrik tegen Ernst: „Wat doet gy hier alleen te zitten? wy kunnen ons immers by de vrinden vervoegen", en het antwoord: „Neen Broederlief wy zyn niet genood, wy moeten hier alleen zitten kluiven" (4e toon.), maar meer nog door de woorden van Losbol en Lichthart: „Ik heb wel gezien, dat gy te middag zeer ongerust aan de tafel hebt gezeten: Maar my dacht dat ge om Grootpapaas praatje zo was gestoord" (II Bedrijf. 11e toon.), die noodwendig moeten slaan op het twistgesprek van Ernst en Lichthart in den aanvang van het stuk. Ze heeft dus eerst plaats gedurende het 4e en 5e tooneel; in dien tijd komt de boekhouder den ouden Heer den brief brengen. In het 6e tot 8e tooneel komen de gasten langzamerhand van tafel; enkele gaan naar huis en vandaar naar de komedie, die om 4 uur begon; andere blijven eerst theedrinken, om dan naar den Schouwburg te gaan. Aan ’t einde van het 10e toon. gaat men de grondslagen der suikertafel zien, die voor ’t souper gereed wordt gemaakt.

    TWEEDE BEDRYF. De gasten vertrekken, om naar de komedie te gaan; de vrouwen van Lichthart en Losbol zullen later komen; een slede blijft op haar wachten. Sybrand gaat niet mee, evenmin als Rykje, die in het

    DERDE BEDRYF, nog voor ’t uitgaan van den Schouwburg, met haar vader en den te voren van ’t tooneel verdwenen Sybrand terugkomt. Aan ’t einde van het bedrijf begint voor de weder verschenen gasten een bal, dat besloten zal worden door het souper.

  3. Evenals in de meeste spelen, heeft L. ook hier een persoon gebroken Hollandsch laten spreken, een gewoon middel,om het mindere publiek te doen lachen en.... applaudisseeren. In dit blijspel moet een Mof hiertoe dienen. Naast de Brabanders waren het de Duitschers, die vaak „op een stroowisch" waren komen aandrijven, welke bij voorkeur stof leverden tot zulk een comisch effect. Later, vooral na de oorlogen met Lodewijk XIV, na de komst der refugies (vluchtelingen), vielen de Franschen meer in de termen. In het navolgen van DuitschHollandsch is L. niet gelukkig geslaagd. De oo zal wel als oa moeten uitgesproken worden.
  4. Duizende figuren, in ’t 6e tooneel duizenden guldens. Taal en spelling zijn over ’t algemeen zeer onregelmatig en slordig; van nooden, van hun, hen (3e naamv.), ontboden naast ontbooden, verheven naast verheeven, bezogt naast gedacht enz. Gy zoud, hy word, enz. missen geregeld de t.
  5. Gesuikerde. Eene woordspeling; in eig. zin: de poppetjes van suiker (III Bedr. 5e toon.: gesuikerd poppenwerk), die hier lichtmissen voorstelden; zinnebeeldig kan men lichtmissen gesuikerd noemen, omdat zij verwend, weelderig zijn.
    Gesuikerd, voor van suiker; ’t zij door overgang van beteekenis, nml. eerst met suiker overtrokken, zooals,,Roode gezuikerde Amandelen" (Chomel, Alg. Wdb. 65b), ’t zij gevormd naast suikerde, dial. voor suikeren, b.v. suikerde goed = snoepgoed; vgl. druende doeken, op Bredero, Moortje vs. 2276 door Moltzer verklaard uit dreume; zoo ook in ’t Ned. W’db. in ’t art. Drom. In gelijke betekenis suikere poppen, bl. 7.
  6. Lichtmis, iemand, die een los leven leidt. Waarschijnlijk een naam, alleen gebruikt om de dubbele beteekenis van licht. Tuinman ziet in ’t laatste deel eene toespeling op missen. (iemand die zijn goed mist, kwijt raakt). Vercoullie (Et. Woordb.) leidt het af van lichtmissen, pretmaken op den dag van Maria Lichtmis (2 Febr., gewijd aan de herinnering van Maria’s eersten tempelgang, en de voorstelling van haren zoon Jezus), op welken dag de dienstboden van betrekking plachten te veranderen. Het Ned. Wdb. zegt: „Misschien is lichtmis, losbol, aan niets anders toe te schrijven dan aan een onnadenkend gebruik van den naam van ’t feest, onder bijgedachte aan Licht (III, A, 14) = lichtzinnig". Verg. ook Stoett, Spreekw. no. 1319.
  7. De toren van Babel moest wijzen op den overmoed van de jonge kooplieden, en hun naderenden val. Het grotwerk kan eene toespeling zijn op de toen in trek zijnde versiering van de hofstee (villa) met fonteinen en grotten. De O.I. schepen, met Lichtmissen, die hoe goed, enz. wezen op een naderend bankroet; de Oost was het laatste toevluchtsoord, voor wie niets meer van de Europeesche maatschappij te wachten hadden. De namen der schepen zinspeelden op Phaeton, den zoon van Helios (de zon), die zijns vaders wagen wilde mennen, dit niet kon, en door Jupiters bliksem getroffen werd, en op Icarus, den zoon van Daedalus, die zich op de vleugels, door zijn vader gemaakt, te hoog verhief, waardoor het was van de vleugels smolt, zoodat hij in zee viel.
  8. Schreyershoeks toren, aan ’t Kamperhoofd, hoek Geldersche kade (Amsterdam), gebouwd in 1482. De naam zou ontleend zijn aan het schreien (huilen) der achtergeblevenen, die hunne betrekkingen naar O. en W. zagen scheepgaan. Een ingemetselde steen vertoont eene weenende (huilende) vrouw en een wegvarend schip, w.o.: Scrayershouck 1565. Over verklaringen hiervan, z. C. v. der Vijver. Geschiedk. Beschr. der stad Amsterdam 1844 – 1848. Vele schepen v. d. Oost-Indische Compagnie ankerden voor Texel: van hier werden de goederen met lichters naar Amsterdam gebracht. Op deze konden de liefhebbers naar Texel varen, om zich daar in te schepen naar Oost-Indi.
  9. Bruijen, Verbruid. Het ww. bruien behoort tot die woorden, welke een groote menigte van zeer uiteenloopende betekenis hebben. De geheele geschiedenis van het ww. (waarschijnl. uit bruiden), is nog niet glashelder; dikwijls schijnt het woord zelf of zijn afleidsels verwant te zijn met broeden, broeien, en diens derivata, en de betekenis loopen dikwijls gelijk. Het laatste is misschien meest gevolg van klankoyereenkomst, en de waarschijnlijkste afleiding die van het zn.w. bneid, zoodat broid maken de grondbetekenis zou tijn. Een volledig overzicht te geven van de geschiedenis van het ww. en zijn verwanten zou hier te ver voeren, dus verwijs ik naar de artt. Brsi, Braid, Bruiden, Brsien in het Ned. Woordenb. en ter vergelijking naar Brassen, Brstsen, en andere verwanten ald. Hier geef ik dus alleen enkele hoofdbeteekenissen op, vooral voor zoover het noodig is ter verklaring van hier voorkomende gevallen: 1. Tot bruid maken; 2. schoffeeren; 3. mishandelen; 4. plagen, kwellen, vervelen, ergeren; 5. beetnemen, foppen, voor den gek houden; 6. slaan, ruw te lijf gaan; 7. smijten, gooien; deze alle bedrijvend. 8. Storten, vallen; 9. snel weggaan, oprukken, zich wegpakken; deze onzijdig. Uit de betekenis kwellen kwam ook nog de betekenis 10: kunnen schelen. Wat bruit me = wat geef ik om. Bruien komt voor in betekenis 7 op blz. 7. op bl. 9 in betekenis 9; op blz. 45 in betekenis 4; op bl. 48 in betekenis 10; op bl. 67 ook in betekenis 9. Verbruid, bl. 29 is = verworpen, weggegooid; op bl. 93 heeft het een niet nauw te omschrijven betekenis, maar die nabij komt bij die van vervloekt, verdoemd en dergelijke.
  10. Pasquil, bespotting, spotternij; eig. spotschrift, schimpdicht. ’t Is verkleinvorm van Pasquino of Pasquinus. Gewoonlijk vindt men dezen oorsprong: in ’t begin der 16e eeuw leefde er te Rome een schoenmaker, bekend om zijn hekelen (spotten), vooral van de geestelijkheid. Naar hem heette de plek, waar hij woonde, en later ook het daar geplaatste fragment van een marmergroep (Ajax met het lijk van Achilles), waaraan men spotschriften in den trant van Pasquino hing, die pasquillen werden genoemd.
    Hetzelfde gebeurde met een verminkt antiek beeld van een stroomgod, Marforio genoemd (nu in ’t Kapit. museum). Pasquino en Marforio werden daardoor personen, die sprekend werden ingevoerd in hekelschriften. Ook in onze letterkunde vindt men derg. gesprekken (o.a. van Jan v. Gysen, over den windhandel.
    Misschien ook gaat de naam terug op zekeren geestigen Pasquinus uit Siena, reeds door Poggio († 1459) genoemd.
  11. Uiltje geknapt = slaapje gedaan.
    Verschillende verklaringen worden van deze spreekwijze gegeven. Bilderdijk denkt aan ’t Frans oeil dus = een oogje luiken. Men zou dan eerder kunnen denken aan verbastering uit uitje knappen (Vgl. Vondel, Leeuwendalers 229 uie = oog). De verklaring in ’t Arch. v. Ned. Taal (I. 196) gegeven, schijnt echter wel de juiste; daar wordt de spreekwijze vergeleken met eene Groningsche uitdrukking voor „de school verzuimen", nml. vlinder knippen. Naast een uiltje knappen komt ook voor een uiltje vangen. Dat een uitdrukking voor spijbelen de betekenis kreeg van weggaan en dan van slapen is verklaarbaar, daar men in slaap raken ook onder zeil gaan, ervan door gaan noemt. Of de naam uil (nachtuil, nachtvlinder) van ouds gebruikt is, of dat deze om de aardigheid, dat het een vlinder is, die bij nacht vliegt, later het woord vlinder vervangen heeft, weet ik niet. De verklaring van knappen als slapen, (vgl. schuddebollen; knappen oorspr. = heen en weer bewegen) door Prof. v. Helten in de Taal- en Letterbode IV gegeven, is mij niet duidelijk, daar er het woord uiltje bijkomt.
  12. Oude Patriotten, eigenlijk oude burgers, vaderlanders = degelijke, ouderwetsche menschen, maar hier met dat iets spotachtige in de betekenis, dat het woord oud meermalen geeft. Men denke aan een man als P. Stastok Sr.
  13. Daar ik my selven mede bedorven heb = waardoor ik mij zelven in ’t ongeluk gestort heb. Men zegt nog: hij is een bedorven man. Derven = missen, vgl. verliezen in: hij is een verloren man.
  14. Paai = vader, uit het Maleisch-Portugeesch pay, het portugees pae; het komt meestal voor met het b.nw. ouwe ervoor, en wordt, hoofdzakelijk in aanspreking, gebruikt, als men in familiaren toon tot of van een ouden persoon spreekt; veelal kreeg het een minachtenden bijklank, zoodat het nu alleen nog maar in gebruik is voor: oude, saaie, suffige, ouderwetsche, achterlijke persoon. Verg. vader, vadertje, moeder, moedertje, opoe e.a. die ook in ’t algemeen gebruikt worden, doch zonder minachtenden, alleen familiaren bijtoon, en ook oude (ouwe), ouweheer, waar de overgang echter in omgekeerde richting plaats had van ’t algemeenere naar ’t bijzondere (= vader), en die zooal niet bepaald het minachtende, dan toch zeker het familiare met paai gemeen hebben. Als zeemansterm werd paai gebruikt voor den, meestal ouden en ervaren matroos, die het toezicht heeft over een mast, en belast is met het aangeven der touwen bij manoeuvres. De jonge kooplieden zeggen zoowel tegen hun vader als tegen hun oom: paai.
  15. Eerlyke = rechtgeaarde. Eerlijke is in ’t algemeen: met eere, overeenkomstig met de eer, zooals ’t behoort. Kil.: honestus, probus, castus, pudicus. De beteekenissen verschilden vroeger veel naar ’t gebruik: Vondel, Leeuwendalers: „En voedenze eerlijk op" = gaf ze een goede opvoeding. Hooft, N. Hist.: „eerlijk gebooren" = van fatsoenlijke afkomst. Warenar: „de persoon is eerlijk" = op de persoon is niets te zeggen. Langendyk, Spiegel: „een advocaat, die een eerlijk man is" = dien men vertrouwen kan. Bij ons beteekent het in den regel: 1. vertrouwbaar op ’t gebied van ’t mijn en dijn, en 2. open, oprecht. Voor de vroegere beteekenissen gebruikt men fatsoenlijk, ook wel net. In de uitdrukking eerlijke begrafenis is eerlijk nog = fatsoenlijk, behoorlijk; in eerlijke armoede = fatsoenlijk, waarop geen schuld rust. In Gelderland: is ’t eerlijk? voor: is ’t werkelijk waar? In II Bedr. 18e tooneel: eerlijke sleeper, is eerlijk = op wien men aan kan, vertrouwbaar.
  16. Knorhaanen, drooge bokkens (II Bedr. 4e tooneel drooge bokkens) geeven = iemand scherpe berispingen toevoegen; eene woordspeling; knorhaan, stekelige visch, die een knorrend geluid maakt, als hij gevangen wordt, doet tevens denken aan ’t woord knorren, brommen; drooge bokken, bokkem of bokking is een harde gerookte haring, en doet tevens denken aan ’t woord beuken = slaan, stompen. Vgl. stokvisch knuppeltaart, vuistlook en derg. Volgens het Ned. Wdb. is bokken, bokking door verwarring ontstaan uit bok (mv. bokken) voor: stomp, stoot; daar wordt ter vergelijking gewezen op: een duw, een steek, een mep geven en dergelijke.
  17. Men had gedaan = men was gereed. Vergellijk ons: dit boek heeft afgedaan = is buiten gebruik geraakt, uit de mode. In een wiegeliedje:
                  Dan heeft het spelen en gekraai
                  Nog in geen uur gedaan.
    Nu nog: ’t is gedaan = afgeloopen, bij een sterfbed.
    Bij Melis Stoke (IV. 1472): „Uwe hoghe spronghe zyn ghedaen" waar wij zeggen: ’t Is gedaan met.
  18. het brood onder den arm gehouwen = hadden wij zelf de beschikking over ons geld gehouden, hadden wij niet het geld aan hen overgegeven. Beeldspraak: iemand, die het brood uit zijn handen geeft, moet afwachten, of hijzelf wat krijgen zal; die het brood onder den arm houdt, kan er van geven, zooveel hij wil, ook zelf er van nemen: ’t hangt van hem zelf af.
  19. Een enkel woord is hier noodig, teneinde den toestand der zaken van de verschillende kooplieden op te helderen. De oude kooplieden hebben het goed gehad, en gaven bij ’t huwelijk van hunne zoons aan elk f 5000. Na dien tijd liep de negotie hun tegen, doch zij hadden geen schulden, al was de winst niet zoo groot meer. Zij hebben de zaken overgedaan aan de zoons, terwijl zij hun geld er in lieten, doch daar tegenover door de zoons onderhouden zouden worden. Zij konden echter het geld terugeischen, wat de zoons in groote moeilijkheden zoude gebracht hebben, daar deze diep in schulden staken. De beide neven schijnen afzonderlijk handel te drijven, doch zijn even erg in ’t nauw geraakt. Zij hebben geen contanten, en wat erger is, geen crediet meer. Lichthart kan een grooten wissel niet voldoen, Losbol moet den volgenden dag een paard betalen en heeft er geen geld voor. Hoewel alleen de eerste in zijne vrijheid bedreigd wordt, is dit toch blijkbaar ook het voorland van den ander.
  20. Lotery van Londen. Stedelijke loterij, zooals er vroeger zeer veel gehouden werden, om in bijzonderen geldnood te voorzien. Nu zijn ze er nog, maar in den vorm van premieleeningen.
  21. zien den kat uit den boom = zien het eens af. Dit is veelal afgeleid van het katknuppelen; de beteekenis zou dan zijn: afwachten tot het spel gedaan is, nml. tot de kat is gekomen uit den bodem van de ton. Dien zin moet de spreekwijze de kat uit de ton zien hebben, indien deze ten minste werkelijk van oudsher algemeen in gebruik, en niet later naar de andere gevormd is. In het Arch. v. N. Taalk. I, en ook weder in N. en Z. VI wordt het spreekwoord verklaard uit het naar beneden doen komen van een kat door ze aan te kijken. De kat uit den boom zien zou dan minder juist zijn, en eerst later ontstaan door vervanging van kijken door sie.
  22. dat er met L. een bommel staat uit te breken = dat het bij L. tot eene catastrophe zal komen, dat zijne zaken op ’t springen staan. De oorspronkelijke beteekenis van bommel was spon, verkleinwoord van bom, bomme of bonde (Kil. en Plant.): de m is misschien ontstaan onder invloed van bom (fr. bombe). De spreekwijze zal dus oorspronkelijk geweest zijn de bom of bommel breekt los = de spon vliegt van ’t vat, dus de inhoud stroomt er uit. Door het gebruik voor: de boel komt los, is men waarschijnlijk gaan verwarren de woorden bom = spon en bom = oorlogswapen, en misschien ook gaan denken aan bobbel = buil (Hooft, in N. Hist., spreekt van den bommel te laten rijpen) of boedel boel, en sprak dan van een bommel, zulk een bommel breekt uit.
  23. ik heb nooit leeren dansen. Dit noemt L. als bewijs van de eenvoudige opvoeding; in principe was hij er niet tegen. In een bruilofsvers van 1750 zegt hij, sprekende over een „minnewetje":
         Want kan ieman’d zedig zingen
         Hy kan ook wel zedig springen,
         Toont men vreugd met voet en keel
         Dat is immers evenveel.
  24. Na de verbouwing van 1664 – 65 bevatte de Schouwburg de volgende plaatsen voor de toeschouwers: In een halfrond bevonden zich aan de eene zijde en in ’t midden 8 enkele en 2 dubbele loges of „huisjes", die op twee na verhuurd werden (de beide andere waren voor de Regenten en hunne bekenden), aan de andere zijde drie rijen banken, waar de prijs 14 st,. den persoon was. Daarboven een galerij met banken, prijs 10 st. den persoon. In het midden van dien halven cirkel bevonden zich op een oploopend vlak een aantal banken: dit werd de bak genoemd, nu stales en parket; daarachter was de staanplaats, nu parterre.
    Volgens een mededeeling van den Heer F. Z. Mehler waren de prijzen in 1768, dus waarschijnlijk ook eenige jaren daarvoor: Loges f 1.60, Bak f 1,10, Amph. f 0.70, 1e Gaanderij f 0.50, 2e Gaanderij f 0.30; afhuren van eene loge f 4. Ernst betaalde een schelling en zal dus op de 2de gaanderij hebben gezeten; de jonge kooplieden zaten gewoonlijk in den bak f 1,10; voor de gasten hadden ze een dubbele en een enkele loge gehuurd, wat dus ongeveer f 12 zal gekost hebben.
  25. Vele dichters maakten een bruiloftsvers om aan den maaltijd genoodigd te worden. Zie J. van Effen, Holl. Spect. (ed. 1756) II. 419: III. 384; IV. 35.
  26. Achter elkander volgen hier al de door L. genoemde gebouwen:
    Het Heeren-logement. Er waren in dien tijd twee herbergen van dien naam, en wel 1. het Oude Zijds Heerenlogement, aan de Z.-zijde van den Grimburgwal, bij de O. Z. Voorburgwal; eerst stadstimmertuin (de schafferij), toen brouwerij (de Sleutel), daarna lomberd, vervolgens particuliere woning, ten slotte door de stad verbouwd tot stadsherberg. 2. het N.-zijds Heerenlogement op den Haarlemmerdijk aan den Heerenmarkt, eerst W.-I. Huis, in 1657 verhuurd als herberg.
    De Doelen is de Handboogsdoelen; in ’t begin der 16e eeuw aan het Spui gebouwd, werd hij in 1670 tot logement vertimmerd; nu bevindt zich op die plaats de Bibliotheek.
    De Munt. In 1672 kreeg Amsterdam verlof zelf goud en zilver te munten; dit deed het in een wachthuis tegen den Regulierstoren; in 1674 hield dit op en werd het gebouw tot logement vertimmerd. De toren heet sedert Munttoren. Nu heeft het Oudheidkundig Genootschap het gebouw in gebruik.
    De Keizerskroon is een zeer oud logement in de Kalverstraat, dat nu nog bestaat.
    Maltha. Een logement, volgens Kronenberg de verzamelplaats v. d. leden van het Kunstgenootschap N. V. A.
  27. Vygen na Paasschen = mosterd na den maaltijd. Volgens Tuinman, omdat vijgen een vasten-kost is, en men er na Paschen dus niet meer van gediend is. Deze verklaring dunkt mij juister, dan die, dat vijgen bij de zg. Palmpaschen (appelen, vijgen, krentenbroodjes enz. aan een stok gestoken, en voorzien van palmtakjes), welke de kinderen op palmzondag kregen, behoorden, en dus na Paschen minder waarde hadden.
  28. Het oudste Kunstgenootschap is dat, ’t welk tot zinspreuk had: Nil Volentibsu arduum (Hem, die wil, is niets onmogelijk), en in 1668 opgericht werd met het doel het tooneel te verbeteren, en tevens in ’t algemeen de pozie te bevorderen. Het streefde naar regelmaat, zuiverheid van taal en kieschheid, vooral op het gebied der tooneeldichtkunde. ’t Meest bekend zijn de volgende leden: Mr. Andries Pels, Dr. Lod. Meijer, IJsbr. Vincent, P. A. de Huybert. Ook Antonides was een tijdlang lid, doch trad met ruzie uit. Over den goeden invloed, bij veel verkeerds, zie men Kronenberg, Het Kunstgen. N. V. A.
    Spoedig volgden er meer, o.a. In magnis voluisse sat est (Reeds het streven naar iets groots is voldoende) en Constantia et Labore (Door Volharding en Arbeid). In 1727 telde men (volgens Chr. Fr. Haugh) bij de dertig zulke genootschappen. ’t Werd langzamerhand mode te liefhebberen op ’t gebied der pozie. Het gehalte der leden werd steeds minder. Had N. V. A. vooral Corneille als voorbeeld aangewezen, en veel Fransche stukken vertaald, de latere genootschappen brachten schier niets te voorschijn dan slecht vertaalde, maar ijverig gelikte producten van Frankrijks Pozie. Het voornaamste streven bleef stukken te leveren voor het Tooneel, hoewel ook de Dichtkunst in ’t algemeen beoefend werd. Teekenend is het, dat Constantia et Labore (over welk Kunstgenoot ik nog altijd eene studie hoop te voltooien) als voornaamste element van het titelvignet koos... eene schaafbank met een groote schaaf. In Ernst toont L. ons den liefhebber met goeden wil, maar weinig aanleg.
  29. Reeds Andries Pels had in zijn Gebruik en Misbruick des Tooneels (1681) gewezen op de fouten in de stukken van Hooft en Vondel. In 1715 herhaalde een jonger lid, P. A. de Huybert de meening, dat Vondel, hoe groot ook als dichter, als tooneelschrijver gebreken had, dat hij de wetten van eenheid van Tijd, Plaats en Geschiedenis niet kende (in de voorrede v. Gewaande Astrologist). Langendyk, die evenals N. V. A. streefde naar regelmaat, onderschreef dit oordeel, dat bij vele andere dichters de heftigste verontwaardiging wekte, en een bepaalden dichterkrijg deed ontbranden (z. Nolen, Iets over D. v. Hoogstraten. 1886).
  30. Toen bij den dood van Willem II (1651) de schouwburg tijdelijk gesloten was geweest, werd op raad van Burgemeesters besloten den acteurs, die per speelavond betaald werden, het recht te geven, een paar stukken te vertoonen ten eigen bate. Wybrands (Amsterdamsch Tooneel) zegt, dat dit aanleiding gaf tot de benefice-voorstellingen, en hij noemt ze eens twee of drie, elders twee in getal. Rymer spreekt hier van twee. Misschien is het getal later geklommen.
  31. De dichters werden aanvankelijk niet voor hunne stukken betaald; vergeefs drong het Kunstgen. N. V. A. er op aan, dat dit ingevoerd zou worden. De dichters hadden alleen vrijen toegang; vroeger naar het schijnt voor hun leven, doch door een besluit van Burgemeesters werd alleen vrije toegang gegeven aan een dichter voor het jaar, waarin hij een stuk geleverd had. Dit was nog zoo bij ’t eeuwfeest in 1738. Blijkens dit gesprek werd er omstreeks 1750 nog niets betaald voor tooneelwerken (vgl. Wybrands, Amst. Tooneel).
  32. Iemand snuiten = iemand afzetten, eene betekenis die ook het lat. emungere had. Hoe de overgang van betekenis in zijn werk is gegaan, is niet duidelijk. (Zie Franck). Misschien moet men aan ironie denken, dus = iemand ergens afhelpen, schoon schip bij iemand maken.
  33. Langendyk is zelf op zijn ouden dag naar Cleef geweest, waarschijnlijk voor zijn gezondheid, en schreef een boekje over die badplaats: De stad Kleef, haar gezondheidbron, en de omlegg. landsdouwen in kunstprenten verbeeld. Berymd en met aant. opgehelderd door Pieter Langendijk 1747, dat zeer merkwaardig is, hoewel niet als letterk. product. Zie mijn Pieter Langendyk, bl. 138 vlgg.
  34. Amazoon’s kleedjes. Hofdijk (Ons Voorgeslacht) beschrijft het Amazone-costuum van dien tijd als bestaande uit een rok, waarover een heerenjas, die echter zeer laag was uitgesneden, een staartpruikje en driekanten steek.
  35. Spaansche huif, als Dieuwertje, enz. Het spel van J. Claasz. en Saatje Jansz. is een van de serie tooneelstukken, door Thom. Asselyn gewijd aan het burgerhuishouden van Jan Jaspersz. en Dieuwertje met hun dochter Saartje, die een verkeerd huwelijk doet met den losbol Jan Claaszen. De ouders behoorden tot de vromen, en waren dus ouderwetsch gekleed. In ’t begin van de 17e eeuw begon de Fransche mode de Spaansche te verdringen. Dieuwertje droeg de ouderwetsche groote huif, tegelijk kap en mantel.
  36. deftig, nu = aanzienlijk of zooals bij aanzienlijken past; vroeger algemeener van beteekenis: voor personen waardig, ernstig van zaken: van gewicht, van beteekenis, de moeite waard; gotisch gadobs = passend, osl. dobru = goed, latijn faber = kunstenaar. Van denzelfden stam is dapper en ondieft.
  37. Van Pesch teekent in zijne uitgave van den Spiegel aan, dat dit verhaal ook voorkomt in het Bedurven Huishouden, 1738:
    Toen docht ik noch om het geen ik te Amsterdam eens heb hooren vertellen,
    Van die Heer, die in zyn gastmaal verbeelde de oude en helendaagsche tijd,
    Toen het eerste gerecht kwam, zei hy; zo hebben wy ons geld gewonnen; by het tweede, zoo kunnen wy het noch staande houden, en by het derde, zo raakten wy het weer kwyt.
    Het is waarschijnlijk een oud verhaaltje, dat algemeen bekend was.
  38. De oude 17e eeuwsche kluchten waren veelal verregaand plat en onkiesch. Het Kunstgenootschap N. V. A., Bernagie, Langendyk e.a. streefden naar verbetering op dit punt; L. zeide:
    Tooneeldicht jokt somtyds, maar is een reine maagd.
    In de 18e eeuw werd de toestand dan ook beter. Wel werd b.v. in 1712 een buitengewoon obscoene klucht (J. van Gysen’s Varke Markt) tweemaal gedrukt, doch van ’t tooneel werd ze geweerd.
  39. ryden en rossen. Deze twee ww. hoort men veelal te zamen gebruiken, rossen alleen zelden, althans in dezen zin; wel in die van roskammen (waarvan overdr. afrossen = afranselen). Volgens het Ned. Wdb. Dl. XIII is rossen, een bijvorm van rotsen, en beide hier = rijden, in ’t bijzonder hard, wild en woest, onvoorzichtig, ’t zij te paard of in een rijtuig. De samenvoeging rijden en rossen veelal in ongunstigen zin als uiting van een losbandig of verkwistende leefwijze. Zie a.w. de artt. Rossee (I) en Rotsen (I).
  40. Uit deze plaats ziet men, dat Gysbrecht van Amstel nog altijd veel publiek trok, al was het stuk ongeveer een eeuw oud (1e opvoering 3 Januari 1638).
  41. Pand ter minne. Zie Ned. Wdb. IX, 747: Pand ter of metter minne = vrijwillig gegeven pand.
  42. Zoekt gy ons den baard te veegen = tracht gij ons voor den gek te houden. Zeer groot is het aantal uitdrukkingen voor dit denkbeeld; zoo vindt men ng in gebruik of bij vroegere schrijvers: den gek scheren met iemand, iemand scheren, iemamd de knevels braaf opzetten, den gek steken met iemand, den draak ergens mede steken (Tuinman zegt van iets), voor ’t lapje houden, bedotten, iemand begekken, met iemand gekken, den spot drijven met iemand, iemand beetnemen, onder handen nemen, uitstrijken e.a. Sommige van deze uitdrukkingen beteekenen alleen: gekheid maken met iemand, andere ook, of alleen: iemand met gekheid iets onwaars doen gelooven. Die laatste beteekenis vinden wij ook dikwijls nog versterkt, zoodat ze wordt: bedriegen, afzetten. Enkele hebben ook wel eens de betekenis van een standje maken; Bredero gebruikt uitstrijken in beide betekenissen.
    In den baard vegen zullen wij waarschijnlijk moeten zien: in orde brengen, onder handen nemen, fig. een standje maken, de les lezen. Er naast komt voor: den baard spoelen (De Decker, Rymoeffeningen I, 194). Ook het Hoog-duits. kent: einem den Bart scheren, kmmen, putzen.
  43. De pikken moet Joris schennen = De duivel moge Joris schenden, treffen. De Pikken. Heintje pik, ook alleen Heintje, zijn benamingen voor den duivel. Volgens sommigen is pik hetzelfde als ’t Eng. puck, en duidt een (boozen) geest aan (evenals ons nikker = watergeest), maar volgens het Ned. Wdb. is het waarschijnlijk het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, dus = de pikzwarte. Zoo in zinnen als: de pikken haal je. Men vindt ook wel de vorm pokken, wat waarschijnlijk ontstaan is door verwarring met den naam van zekere ziekte; die beteekenis past in vele gevallen ook evengoed als die van duivel, b.v. in: de pikken schende je, en de pikken op uw vleesch.
  44. in ’t witte wambuis laaten brengen = achter de grendels laten zetten. Deze uitdrukking zou haren oorsprong misschien kunnen hebhen in de lichte gevangeniskleeding. Toevalligerwijze vond ik echter in Mr. de Roever’s Uit onze oude Amstelstad, II. het volgende feit vermeld. In 1739 werd een Heer op echtbreuk betrapt. De Substituut-Schout liet hem brengen naar de herberg „het witte wambuis"; waar hij onder een glas wijn de zaak met den schuldige bekonkelde, zoodat deze voor geld vrijkwam. Bij de algemeene omkoopbaarheid der toenmalige dienaren der Gerechtigheid (trouwens het z.g. componeeren of koopmaken met den schout was officiel zoo niet goedgekeurd, dan toch toegelaten en erkend) zou dit zeker meermalen herhaalde feit op een of andere wijze tot eene algemeene uitdrukking aanleiding hebben kunnen geven. Waarschijnlijker is dus hier bedoeld: in gen. herberg in gijzeling laten brengen, zooals dit gebeurde door den schout op kosten van den delinquent.
  45. Lange lyzen = hooge, smalle theekopjes van Chinees porselein, zoo genoemd naar de lange, smalle vrouwenfiguren, die er op geschilderd zijn. Zoo wordt ander porcelein, naar ’t schilderwerk: Pieterselie, Fruitmwd, Kanarie en Konijn genoemd (z. Noord en Z. VIII. 4); Lijs (Lijsbeth, Elizabeth) was vroeger een zeer algemeene vrouwennaam.
    „Jan die sloeg Lijsje, en Lijsje die sloeg Jan", zoo luidt het in een kinderdeuntje. „Lysje, waer is Jan" gebruikt Bredero in Symen z. Soetigkeit als scheldnaam voor een manzieke vrouw. „’t Is een Lijs van een vent" zal wel ’t zelfde zijn als: ’t Is een echte Mie.
  46. dan zou t’ er met my honden = dan zou er wat voor mij opzitten, dan zou ik er van langs krijgen. Tuinman verklaart het als: ’t zal er op schelden en kijven uitloopen, ’t zal er scheldwoorden als hond, hondsvot, rekel, enz. regenen. Zoo gebruikte men ook: „t’ Is er katshoer", in dien zin; katshoer wordt door Eymael (N. en Z. XIV. 6) den overtreffenden trap, evenals katsvel den vergrootenden, van ’t gewone scheldwoord kat genoemd.
    In denzelfden betekenis vindt men nog: ’t Zal er met kem stinken vuilen e.a.
  47. Een kommeke brij; Behelpje dan met eem potje pap op je schoot. Het schoteltje brij of pap speelt een niet onbelangrijke rol in het stuk als een soort van zinnebeeld. Bij het begin staat het op het tafeltje, waaraan Ernst zit te slapen, terwijl al spoedig de banketbakkers en koksknechts met taarten, pastijen en gebraad voorbij komen dragen voor de gasten. Later zegt Lichthart zijn vader wel een staartje wijn ’en wat rijstenbrij te zullen voorzetten. Als Hendrik bij Ernst komt, biedt deze hem het kliekje aan, dat voor hem staat, en waarvan hij uit kwaadheid niets heeft willen eten; deze weigert. Als Lichthart den knecht beveelt aan de oude Heeren een paar staartjes wijn te brengen, rekent deze, die, zelf den wijn reeds heeft opgedronken, op de minachtende behandeling, die de ouden ondervinden, en gelooft dus wel met een kommetje brij ze tevreden te kunnen stellen. Doch Hendrik werpt het den mof in ’t gezicht. Losbol geeft nu zijn vader toch gelijk. Ten slotte komt het schoteltje brij nog als een element van wrekende gerechtigheid te pas. Ernst zegt zijn geld te zullen nalaten aan zijn kleinkinderen, wat zijn schoondochter de klacht ontlokt, of het toch niet wat hard is, dat zijn kinderen zelf niets ervan zouden genieten. Nu troost hij ze ironisch met het vruchtgebruik, dat zij na zijn dood zullen kunnen trekken, en voegt er scherp bij: Zijn (de vruchten van mijn nalatenschap) sober, behelpje dan met een potje pap op je schoot. Na dien drogen bokkem is echter als ’t ware aan de gerechtigheid voldaan, en volgt spoedig de mededeeling van het werkelijke gebruik, dat de ouden van het geld zullen maken Het schoteltje brij maakt een te sterker indruk tegenover de in den aanvang reeds aangewezen vertooning der weelderige toebereidselen, die ook later telkens worden ter sprake gebracht of geprezen.
  48. Drempelmeiden. Oudemans (Nieuw Ned. Taalmag. IV) geeft als verklaring: „stoepmeid, en bij uitbreiding straatmeid, loopmeid die voor gezet huishoudelijk werk ongeschikt is", en geeft ook voorbeelden van drumpeljongwyfs en drempelloopster in dien zin. Een van die hier meest geschikte plaatsen, die hij meedeelt voor drempel- of drumpelmeid, is uit A. Boelens, Kl. v. d. Oneenige trouw, 1648:
    Daer loopt niet ien dagh deur, of daer moeten drie of vier drumpel meyden wesen;
    ’t Is dan een Nayster, dan een lapster, dan een waster.
    Deze plaats zoowel als die uit den Spiegel is duidelijk eene navolging van die uit Warenar:
    Een heelen dagh hebje an de dear zulken geklop,
    Of altyt staat’er volk in ’t voorhuis te tranten
    Dan is er de Neister mit dundoek en kanten,
    enz.
  49. ik sal my self soch te kort doen van hartzeer, enz. = ik zal mijzelf den dood nog aandoen; de uitdrukking behoort tot de vele euphenismen voor sterven of doen sterven: vgl. ons: zich zelf iets doen.
  50. Omtrent liefhebberijen van dien tijd zegt L. elders:
    Een schrand’re geest, die op de penningswysheid let,
    Zoekt vorsten weezens en hunn’ daaden na te spooren;
    Een ander let met vlyt of de Ambooineesche hooren
    Gevlakt is, of gedraaijd, gebogen of geplet;
    Een derde toont zyn Dier- of Vlinderkabinet,
    Deez’ kan het mineraal, dien ’t vogelnest bekooren,
    Of stelt ons ’t, heerlijkst van de schilderkunst te vooren....

    Zie verder B. Huet, Litt. Fant. 4e Reeks II. bl. 5.
  51. tagchentig ontstaan uit t-achtig, waarvan de t terugwijst op’ een voorvoegsel, dat overeenkomt met ant (ouds.) of hund (ags.), misschien van denzelfden stam als honderd. ’t Is dus een vorm, waarin het denkbeeld tiental tweemaal is uitgedrukt, vr en achter het getal, vlg. ags. Hund-eahtatig. De n in tachtentig, vroeger tachentig, is naar analogie van zeventig en negentig ingevoegd, terwijl de t waarschijnlijk uitgevallen is om de euphonie, d. w. z. tot vermijding der drie t’s. (Zie Taal- en L. I, 115).
  52. Kwanten uit de Troep van Magito. Magito (ook wel Mogito, Masiton enz.) is de naam van een familie, die in vroegere tijden een groote bekendheid had door vertooningen op kermissen en misschien ook elders. Er wordt melding gemaakt van een Christiaan Masiton, die op het strakke en slappe koord danst, en in 1736 vervangen wordt door Noel Masito, die ook met den goocheltas werkt. In een gedicht van J. W. (z. j. doch stellig 18de eeuw) over de Amsterdamsche Kermisvreugd wordt uitvoerig melding gemaakt van Masiton met zijn tent en met al zijne gezellen en juffers, fraai gekleed; die op het koord danste, hoog sprong, enz. In 1750 heeft een Masiton in Amsterdam een Italiaansche opera. Een schotschrift, verschenen omstreeks 1770, is opgedragen aan „Sr. Magito, kastelein, patroon en hoogleeraar der konstige hondjes, het onsterfelijk wonder van de Amsterdamsche Botermarkt, den luchtigen, vroolijken en in ’t postuurmaken en koorddansen uitgeleerden Sr. Magito". In 1790 wordt in een courant vermeld, dat de 83-jarige Magito op het koord viool zal spelen: In 1798 wordt in een gedicht van Bilderdijk De Waarheid en Esopus gezegd van iemand, dat hij zeker een zoon is van Maziton, die danste op de koord en goochelde. In 1799 wordt er een ballet aangekondigd, waarin Pierre Magito optreedt. In 1904 vertoonde iemand in de tent van den ouden Heer Magito zijn „Acadmie Imperiale in ’t kunstberijden en pantomimes te paard".
    In de merkwaardige verzameling kinderprenten van Dr. G. J. Boekenoogen bevindt zich er een met het bovenschrift: „Masito met al zijn Gekken, kunnen uw tot vreugd verwekken". Het eerste der 36 afbeeldingen stelt voor: „Masiton met zyn Juffer Izabel"; dan volgen Arlequins, Scaramouches, koorddansers, Indianen, wondermenschen enz.; dus een gezelschap la Barnum en Bailey. De prent is waarschijnlijk van 1690. Wie meer wil weten omtrent de Magito’s vindt een en ander uitgebreider in Noord en Zuid XIV, 446 vlgg., XXVII, 527 vlg. en 560, XXVIII, 140 vlg.
    De Magito’s zullen wel Italianen van afkomst geweest zijn, en de spelling Magito de ware; de z en s zullen wel een gevolg zijn van de Italiaansche uitspraak der g (verg. bagazie, horlozie, lozee, serzant enz. naast bagage, horloge, log, sergeant enz.).
    Langendyk zal natuurlijk bekend geweest zijn met een of meer Magito’s en hun gezellen, zooals in later tijd ieder de familie Carr, Blanus, Hagenbeck althans bij name kende. De kleurige costuums kunnen op verschillende generaties der beroemde kermistroep wijzen, ’t zij als accrobaten, koorddansers, paardrijders, ’t zij als pantomimespelers. Dat hij bepaald het oog had op de laatsten, die in 175o optraden, zou men opmaken uit het costuum van Losbol (Scaramouche, een figuur uit de Italiaansche comedie), terwijl de amazoonskleedjes der dames doen denken aan het paardespel; wat trouwens in de tent van Magito vereenigd kon zijn.
    Kwanten; mnl. reeds quant; ook mnd. en nnd. kwant. De betekenis wisselt als volgt: kameraad, makker, gezel, knaap, jongeling, jonge man, vent, kerel, snaak, rare snuiter, kwibus. Oorsprong onbekend; volgens Vercoullie (Etym. Wdb.) = ofr. coint (kennis) uit lat. cognitus.
  53. Hanssen = (vreemde) hanzen = vreemde kerels. Hans is de verkorting van Johannes, en was vroeger zeer algemeen; vandaar woorden als pochhans, praalhans, groot en kleinhans, waarin hans alleen persoon beteekent. Later meer Jan en Piet; Jan Hen, Jan Salie, Jan Rap, Piet Lut, Piet Snot. Soms vinden wij een eigennaam afzonderlijk gebruikt in een bepaalden zin: een Jan, een Piet, waarvan de betekenis afhangt van hetgeen men er bij denkt, (evenals bij: ’t is er eentje). Bredero zegt (Moortje 63): „een treck spelen, die hans hiet". waar hans de betekenis heeft van: groote hans, iets van belang.

C. H. PH. MEIJER


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001