Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

Inleiding.

„Naa zynen dood [vond men] den Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden, welk tooneelstuk, nog niet ten einde gebragt zynde door twee Amsterdamsche Dichters, die door hun uitnemende, poëzy voorlang eenen onsterflyken naam verwierven, beschaafd, voltooid en in die orde gebragt is, zoo als het thans het licht ziet”.

Dat is al wat wij omtrent het ontstaan van een van de beste van Langendyks tooneelwerken uit zijne levensbeschrijving vernemen. Alleen wordt er aldaar te voren gesproken over het voltooien van stukken in zijne jeugd ontworpen, en nu weer ter hand genomen, nadat hij zich in geen twintig jaren met tooneelpoëzie had beziggehouden.

Niet gemakkelijk is het uit zulke onvolledige berichten den tijd van het ontstaan te bepalen; dit met zekerheid te doen is onmogellijk. Wij moeten naar andere middelen omzien, doch komen ook dan niet tot zekerheid. De vraag doet zich ep: behoort dit stuk tot hetgeen in zijne jeugd onvoltooid was gebleven of is het in zijn ouderdom ontworpen? Daar hij ook Xantippe en Papirias voltooide, kan bovenvermelde mededeeling ook alleen op deze doelen.

Wanneer wij het stuk lezen, komt het ons niet voor als het werk van een man van ruim zeventigjarigen leeftijd (het breedsprakige in het gesprek onder de thee moet men buiten rekening laten, want dit is in allen gevalle eerst later geschreven, daar het o.a. loopt over iets, dat na 1751 geschiedde). Ook is het eerder te denken, dat een man op dien leeftijd, die in langen tijd zich met geene tooneelzaken bemoeid heeft, oude stukken gaat voltooien en herzien, om ze voor zijn dood nog in ’t licht te geven, dan dat hij een nieuw tooneelstuk zoude opzetten. ’t Is dus eerder aan te nemen, dat het ontwerp en begin van vroeger datum is.

Zien wij nu eens, of er geen gegevens zijn, die meer bepaald op een tijd wijzen.

Zooals straks nader betoogd zal worden, heeft Langendyk blijkbaar de intrige ontleend aan een Fransch stuk, dat in 1728 voor ’t eerst in Parijs’ werd vertoond. De Spiegel zal dus in allen gevalle na dat jaar zijn ontworpen.

Eene opmerking over de Actionisten geeft geene nadere aanwijzing. Alleen zou deze eerder te wachten zijn twintig jaar vroeger, dan omstreeks 1756. Doch met dit woord kan ook in ’t algemeene speculanten bedoeld zijn.

Eene andere plaats zou misschien iets kunnen bewijzen. Er wordt gezegd, dat er jonge waanwijze praktizijns bestaan, die alles beter willen weten dan de oudere; deze moesten „op een Oorlogschip” worden gebannen, „dan zouden ze tegen de Turken kunnen pleiten”. Indien we hier niet met eene verwensching zonder bepaalden zin te doen hebben, moeten deze woorden wijzen op een tijd, waarin er oorlog tegen de Turken gevoerd werd, en, daar wij na 1728 te zoeken hebben, zou men geneigd zijn te denken aan den oorlog, dien onze bondgenoot Oostenrijk met Rusland tegen Turkeie voerde in 1736 – 1739. Hieruit zou men besluiten, dat het stuk ontworpen was in dien tijd, wat zeer goed zou passen bij twee feiten, nml. dat in 1738 een druk van het bovengenoemde Fransche stuk het licht zag, (die hem in handen kon gekomen zijn, en bij hem het plan hebben doen ontstaan), en dat in 1739 zijne vrouw stierf, waardoor hij het ontwerp zou hebben laten rusten.

Hiertegen pleit echter het volgende: niet, dat hij spreekt van in geen twintig jaren iets voor het tooneel gedaan te hebben, immers 1738 tot 1756 is een tijdsverloop, dat men in ’t algemeen wel zoo kan noemen, maar wel, dat hij spreekt van „stukken uit zyn jeugd”; men kan wel de eerste huwelijksjaren tot zijne jeugd rekenen, doch om te denken aan jeugd, waar hij in de vijftig was, dat gaat toch niet aan, al zeide hij ’t op zeer hoogen leeftijd. Ook is het minder te verwachten, dat hij een jaar voor den dood van zijne vrouw, toen zij dus wel zeer sukkelend geweest zal zijn, en de omstandigheden niet opwekkend, een nieuw stuk zou ontworpen hebben.

Wij moeten evenwel bij het woord Turken waarschijnlijk niet denken aan de bewoners van het Balkan-Schiereiland, maar aan de Zeeroovers van Algiers, Tripoli, Tunis en Marocco. Daar nu zoowel omstreeks 1730 als omstreeks 1754 Hollandsche oorlogsschepen daarheen vertrokken, ’t zij om de zeeroovers te bestrijden, ’t zij om vrede of wapenstilstand te sluiten of te vernieuwen, geeft ons de uitdrukking, waarover wij spreken, geen de minste nadere bepaling omtrent den tijd van ontstaan van den Spiegel.

Alles blijft dus gissing.

Nu doet nog een tweede vraag zich op, en wel: wat er uit te maken is omtrent het voltooien van het blijspel door twee Amsterdamsche dichters. Wanneer wij nu den geheelen Spiegel lezen, bemerken wij eigenlijk geen verschil tusschen het begin, midden en slot. De geest, de wijze van uitdrukking, de geheele toon is overal dezelfde. Slechts valt in het oog, dat in het laatste gedeelte eenige bovenmatig lange regels voorkomen. Dit vinden wij het eerst in het IIIe Bedrijf 3e tooneel. Van daar af komen er verscheidene malen regels voor van 33 tot 43 lettergrepen, terwijl in het eerste, veel grootere gedeelte, de langste regel 32 syllaben bevat. Dat dit verschil is op te merken tusschen Bedrijf I, II en twee tooneelen van Bedrijf III aan den eenen, en Bedrijf III, 2e tooneel tot het slot aan den anderen kant doet ons veronderstellen, dat het in vetband staat met de voltooiing door andere handen. Het laatste gedeelte zal er door de Amsterdamsche poëeten met minder zucht naar regelmaat bijgemaakt zijn. Dit bijmaken zal, (en als men de eenheid in aanmerking neemt, moet dit bijna aangenomen worden), geschied zijn naar proza-aanteekeningen, of een bepaald ontwerp van Langendyk.

Dat die eenheid niet een gevolg is van grooter aandeel ook in het eerste gedeelte, bewijzen de uitdrukkingen in de voorrede van den Uitgever van het IVe Deel zijner Gedichten, en in de beschrijving van zijn Leeven; men leest daar toch „beschaafd, voltooid en in die ordre gebragt”, „nazien en voltooien”, het „tooneelstuk, nog niet ten einde gebragt zynde”; ook het verschil in de lengte der regels bewijst dit.

Hoe is het nu te verklaren, dat Langendyk, die, hoewel hij oorspronkelijkheid op hoogen prijs stelde, toch gaarne Molière als voorbeeld noemde, terugkeerde tot de vrije versmaat van het oude Hollandsche blijen kluchtspel? Was hij op zijn ouden dag van grondbeginsel veranderd? Neen, dat zeker niet; immers de Xantippe zoowel als de Papirius, die hij in zijne laatste levensjaren voltooide, vertoonen de geregelde jambische versmaat. Denken wij er echter aan, dat de veel vroeger berijmde Cartouche in vrije maat geschreven was, een stuk, waaraan hij weinig waarde hechtte, en dat de Spiegel bij zijn dood nog onvoltooid werd gevonden, dan komen wij tot een andere onderstelling, en wel dat Langendyk, voor hij zijne stukken in geregelden versvorm bracht, ze eerst schreef in vrije regels met de rijmwoorden, en dan eerst later dezen het jambische keurslijf aanreeg, wat juist dikwijls die stijfheid, dat gebrek aan natuurlijkheid gaf. In de Cartouche vond hij dit niet noodig, in den Spiegel zal hij nog niet zoover gekomen zijn. Hij zal slechts tot in het begin van het IIIe Bedrijf gekomen zijn met de omzetting van een proza-opzet in vrije rijmregels.

De zaak is dan duidelijk. De voltooiers vonden de vrije berijming van het begin en midden en „betittelden” ze, zou Hooft gezegd hebben, en vervormden de proza-aanteekeningen, of het proza-opstel verder tot rijmende regels, waarbij zij het zich echter wel eens te gemakkelijk maakten, en al te veel lettergrepen in een regel plaatsten.

Wie de beide bewerkers zijn, is moeilijk te zeggen: de „onsterflijken naam”, waarvan het Leeven spreekt, werd toen somtijds zoo goedkoop verkregen. Hecht men waarde aan de uitdrukking, dan zou men kunnen denken aan N. S. van Winter, en Lucas Pater, die beide lofdichten op L. hebben geschreven. Verder komen ’t meest in aanmerking H. J. Roullaud, die ook den Krelis Louwen in ’t Fransch vertaalde, en Fr. van Steenwijk, de zoon van L’s ouden vriend. Deze vier hebben zich allen op ’t gebied van de tooneeldichtkunst bewogen. Bezien wij nu eens het stuk, zooals het na de voltooiing aan het licht kwam.

De intrige is ontleend aan het Fransche blijspel: Les fils ingrais. Com. en vers, en 5 Actes par Mr. Piron, dat in 1728 voor het eerst te Parijs werd opgevoerd. Langendyk zou ze ook elders kunnen gevonden hebben, daar de slechte behandeling van ouders door hunne kinderen, en eene veranderde houding van dezen, als zij meenen, dat er voordeel te behalen is, meermalen en reeds in vroeger eeuwen het onderwerp van verhaal of drama is geweest, doch de vergelijking der beide stukken bewijst, dat er werkelijk ontleening aan het Fransche stuk plaats had. Overeenkomst als de volgende is dunkt wij, sprekend:

Langendyk Ja, man, wy zyn oud en wy worden lastig;
Ik voor my, ik wil het wel weeten; ik ben vrywat kwastig.
Piron Oui mon frère a nôtre âge, on ne fait chez autrui
Que traîner après soi la tristesse et 1’ennui.

Langendyk heeft echter in den Spiegel iets geheel anders geleverd dan Piron in zijn Fils ingrats. Niet alleen, dat de intrige in vele punten aanzienlijk afwijkt, maar de aard is geheel veranderd. Bij Piron hebben wij te doen met een intrigestuk, zuiver van vorm, met geestige gesprekken, bij Langendyk met een zeden-teekenend blijspel, eenvoudig van inhoud, wel wat redeneerend, maar vol van uitstekende tooneeltjes, en met verscheidene goed geteekende karakters. Bij Piron een zwakke vader en een verstandige oom, bij Langendyk twee broeders, die onverstandig zijn geweest met alles over te geven aan hun zoons, maar slim genoeg om later de zaken zelf weer op zich te nemen. Bij beiden eindigt het stuk met vergiffenis, maar die bij Langendyk juichen wij meer toe, al komt het ons minder verklaarbaar voor, dat de zoons het op eens waard worden. Bij P. is de vader zwak, en neemt hij ons zelf tegen zich in door het huwelijk met een jong meisje; bij L. is dit niet het geval, kan men de oude Heeren eer te hard, te berekenend vinden en dreigt een van hen slechts met zoo’n huwelijk. Bij P. speelt het huwelijk van de drie zonen een hoofdrol; bij L. alleen het huwelijk van den zoon van een der beide zoons een kleine rol.

Over ’t algemeen zijn bij P. de personen, die het jonge geslacht vertegenwoordigen, geheel harteloos; bij L. zijn het lichtzinnige, overmoedige mannen, die, hoewel spade, toch nog toonen gevoel te hebben.

Wij mogen dus met vol recht spreken van een oorspronkelijk stuk.

Trouwens in den aanleg, in de intrige is niet de groote verdienste van dit stuk gelegen, maar daarin, dat het ons eene duidelijke voorstelling geeft van het leven van den koopmansstand in dien tijd; en verder in de levendige tooneelen en comische situaties. Ook is er veel meer waarheid en natuurlijkheid in de karakters, dan b.v. in de Xantippe.

Er zijn enkele en zeer belangrijke grieven tegen den Spiegel. Jonckbloet (Gesch. Ned. Lett. V, 27) zegt: „Er wordt in dit stuk misschien wat veel geredeneerd, te weinig gehandeld, en de tegenstelling van toestanden en karakters [steken] al te scherp af”. Dit kan niet anders dan toegestemd. worden.

Een andere grief, waarop ik nog terug kom, is, dat de karakters van twee hoofdpersonen, de jonge kooplieden, zich niet gelijk blijven; zooals L. dezen eerst schildert, kunnen zij niet veranderen, zooals zij op ’t laatst doen. Dit hangt samen met Langendyks opvatting van karakter, die ook in het Wederzijds Huwelyks bedrog zoo duidelijk uitkomt. Niet karakterontwikkeling wil hij schilderen, niet karakterverandering verklaren, en aannemelijk maken door den loop der omstandigheden; maar alleen het teekenen van bepaalde karaktertrekken, het schetsen van de uitingen ervan, is zijn streven. Natuurlijk zijn deze beide zaken niet te scheiden, en zien wij werkelijk eenigermate de karakters van de zonen zich ontwikkelen onder den invloed der omstandigheden, doch dit is alleen om de feiten te verklaren. Zijn doel was het teekenen van den lichthartigen, loszinnigen, weelderigen koopman tegenover den ouden, zuinigen degelijken. Het blijspel is dan ook geen comédie de caractère, maar eene comédie de moeurs.

Achter zijn grieven voegt Jonckbloet nog de opmerking, dat het stuk er iets doctrinair-kils en dors door verkrijgt. Dit kan ik niet onderschrijven. Mij heeft het dien indruk niet gegeven. De tegenstellingen zijn wat te sterk, en dit maakt een minder aangenamen indruk, doch de gemiddelde temperatuur (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) wordt veel verhoogd door de houding van den kleinzoon en zijne geliefde. Zij spelen geene groote rol, al dient hun huwelijk eenigszins als slot-apotheose, zij zijn slechts aangegeven in ruwe trekken; maar eene weldadige warmte gaat van hun weezen uit. De aanwezigheid van den kleinzoon maakt, dat het huis van Lichthart niet een barre plaats der verschrikking is, maakt het lot der oude mannen draaglijker in ons oog. Ook het feit, dat de beide vaders elkaar hunnen nood kunnen klagen, maakt het stuk minder koud.

Gunstiger dan dat van Jonckbloet is het oordeel van Prof. J. te Winkel (Ontwikkeling d. Ned. Letterk. 3, 337 vlgg.), hoewel zijn lof niet zonder reserve is. Hij prijst o.a. de typen van Rymer; den Procureur; de vinding, van de catastrofe te doen plaats hebben op den verjaardag van den jongen koopman. Doch de jonge kooplieden zelf vindt hij meer caricaturen dan typen. „Dat het stuk al te ernstig is en de gesprekken uit „al te lange redeneeringen zouden bestaan, geloof ik niet, maar het vernuft waarvan L.’s vroegere stukken getuigen, gluurt hier slechts nu en dan om den hoek, zoodat het ons eigenlijk niet zeer behoeft te verwonderen, dat het nooit „vertoond is”. Op deze woorden laat hij echter volgen: „Toch draagt ook dit stuk er toe bij, om L. te kenmerken als den besten blijspeldichter in eene nieuwe, de achttiendeeeuwsche, richting. Genoeg geest bezat hij om als comicus niet al te er achter te staan bij Coster, Bredero en Hooft en bij den heksluiter der zeventiendeeeuwsche blijspeldichters, Asselijn, met welke hij de nationale neiging tot treffende en vermakelijke zedenschildering gemeen had”. Hij wijst dan nog op zijn opvatting van ’t blijspel, over het geven van typen tegenover het schilderen van „kleine zielewereldjes”; zijn streven naar kunstige samenstelling, natuurlijk verloop der handeling en geleidelijke ontknooping.

Veel korter is Prof. G. Kalff in zijn Gesch. d. Ned. Letterk. 5, 475; doch zijn kort oordeel klinkt minder voorwaardelijk, waar hij getuigt, dat L. „het huiselijk leven onder de gegoede standen op verdienstelijke wijze voorgesteld heeft”.

Zeer kort is ook Dr. J. Prinssen J.L.zn. in zijn trouwens beknopt werk Handboek tot de Ned. Letterk. Geschiedenis 417 vlg.; doch tevens zeer waardeerend: hij acht het blijspel „een mooi, uitvoerig, aardig geteekend tafreel van het leven in den zich ruineerenden koopmansstand van dien tijd”.

Beschouwen wij nu eens de verschillende personen wat van naderbij.

Op den voorgrond treden vooreerst de beide jonge kooplieden Lichthart en Losbol. Zij hebben de eenvoudige levenswijze hunner vaders verlaten; zij rijden en rossen, ontvangen bezoek, doen mede aan alle kostbare liefhebberijen huns tijds, en houden zich met alles meer bezig dan met hunne zaken, die dan ook hard achteruitgaan, zoo zelfs dat een bankroet te wachten is. Hunne vaders behandelen zij ruw, onbeschoft; ja, zij denken er aan, hen in een gesticht te doen opnemen. Zulke personen zijn nu wel denkbaar, doch minder verklaarbaar is het, dat zij tot beter inzicht komen, en dat wel zeer plotseling. Hunne verontschuldiging van enkel uit onbedachtzaamheid en luchthartigheid zoo gehandeld te hebben, voldoet ons niet. Alleen de gedachte, dat zij in een roes van vermaken zijn, en kregelig worden, doordat zij toch gevoelen, dat de oude mannen gelijk hebben, kan eenigszins hunne ruwe handelwijze verklaren. Tusschen deze beide jonge kooplieden is weinig verschil; alleen schijnt Losbol iets minder scherp en ook tegenover zijne vrouw zachter dan Lichthart. Het zijn dan ook typen, geen personen.

De vrouwen van deze beide zijn natuurlijker, dan de kooplui. Zij zijn wel niet hartelijk voor de oude mannen, zij veroorloven zich wel schamper-spottende aanmerkingen, maar het blijft meer binnen de perken. Bij de catastrophe blijkt er tusschen de beide vrouwen hetzelfde verschil te bestaan als tusschen de mannen, maar meer geprononceerd. Terwijl Lichthart en Kwistgoed elkaar met verwijten overladen, barst Zoetje in weenen los en zegt te veel van haar man te houden, en zelf te veel schuld te hebben, om hem hard te vallen; haar man tracht haar dan ook te troosten.

De vaders der jonge kooplieden, Ernst en Hendrik, zijn de typen van den ouderwetschen, degelijken koopmansstand. Aan de beurs zijn zij als deftige kooplui bekend, en al gingen de zaken niet vlot, zij hebben altijd tot den laatsten cent betaald; als later de praktizijn een slim overlegd bankroet aanraadt, wijzen zij dit verontwaardigd van de hand. Tegenover de slechte behandeling van hunne zoons worden zij scherp en bitter, doch als het er op aankomt, helpen zij hen toch. Zij zijn niet de ideale toonbeelden van teleurgestelde ouderliefde; zij zijn zelfs vrij scherp, doch dat zij erkennen vrij wat „kwastig” te zijn, neemt ons voor hen in. Langendyk had ons veel meer belangstelling voor hen kunnen inboezemen, door in hen het strenge verstand en de toegevende liefde te doen strijdvoeren. Hiervan zien wij niets of weinig. Dit zal wel voornamelijk komen, doordat Langendyk vooral wilde doen zien de tegenstelling tusschen de beschouwingswijze der beide geslachten, dat hij hen de gedragslijn van de zoons wilde laten hekelen. Is dit voor de waarde van het stuk niet bepaald voordeelig, onnatuurlijk is het echter niet. Er zijn zulke personen, en zij kunnen toch wel degelijk liefde gevoeld hebben, al uiten zij het niet op die wijze, als wij zouden willen zien. Dit blijkt ook uit de woorden, bij de redding, die bij henzelf aan geen twijfel onderhevig is geweest, gesproken: „Maar we hoopen, dat wy in genoegen met malkander zullen leven”. Ook uit de verwijtende uitdrukking: „Dat is genereus, Jongens, enz.”’, die echter door den zoon zoo ruw wordt beantwoord, dat hij in toorn ontsteekt en dreigt: „Ik beloofje, Vogel, enz.”

Ook tusschen Ernst en Hendrik is te weinig verschil; het zijn weder te veel typen. Alleen is Hendrik, de jongste, wat scherper, ja, hij heeft soms iets spotachtigs.

Tusschen de beide geslachten komt nu de kleinzoon van Ernst met zijn meisje. Er moge op de wijze van voorstelling van deze personen iets aan te merken zijn, zij zouden misschien scherper geteekend kunnen wezen, toch nemen zij voor zich in. De uitdrukking van Sybrand: „Zo lang ik één stuiver in de wereld heb, zult gy ’r de helft van hebben tot brood” is zeker te melodramatisch, doch bederft den geheelen persoon niet. Behalve den hoofdpersoon verdienen nog enkele figuren vermelding. foris, die slechts flauw geteekend is, schijnt de oudgediende te zijn, na langen dienst bij de oude, overgegaan op de jonge patroons; de vertrouwde van beide geslachten; die de zoons wel helpt, maar den vaders meer gehoorzaamt, en niet kan nalaten de zoons te laten voelen, dat zij niet verdienen geholpen te worden.

Scherper geteekend is de prokureur Brandarius, die de zaken op eerlijke of oneerlijke wijze behandelt, naar verkiezing, maar die waarschuwt, dat het een verschil van f 8000 maken zal; wiens geweten het belang van zijn cliënt is.

Even goed geteekend, en voor ons nog belangwekkender is de figuur van Rymer den poëet.

In hem zien wij reeds het type, dat wij nog duidelijker geteekend zien in van Lenneps (Ferdinand Huyck) éénigen Lucas Helding. Wel is de verhouding hier niet zoo vernederend; hij behoeft niet om den kost te bedelen, bezit zelfs eene lijfrente; hij neemt deel aan den maaltijd zonder nog een vers gemaakt te hebben – maar toch, zijn prijzen van het „traktement”, het roemen van de thee, het naar de comedie brengen van de gasten, terwijl hij er zelf niet wil blijven, het hen weer afhalen, het gaan ontbieden van den prokureur, wijst reeds heen naar het dragen van de parapluie door Helding. Welk een goedmoedige kleinheid!

De overige personen laten wij onbesproken, al verdienen de dokter, de knecht en de andere bijpersonen ook wel eenige aandacht.

En nu de inkleeding. Deze kunnen wij hoogen lof toekennen. Welke levendige tooneeltjes! B.v. waar de oude Heeren hun pijpje rooken, en elkaar hun nood klagen; waar de jongelui de vaders inhalen en fêteeren; waar deze hen in het nauw houden, hoewel wij weten, dat ze al gered zijn; waar de kleinzoon voor de andere gasten opgestaan is, om de oude mannen eens toe te komen spreken! Hoe goed wordt reeds dadelijk de toestand geteekend door de woorden van den knecht over de koudgeworden brij, juist terwijl de banketbakkersknechts met al hunne heerlijkheden komen aandragen. Welk een fijne trek, dat Ernst tegenover Rijkje niet zegt, dat hij niet genoodigd is, maar op zijnen hoogen leeftijd wijst.

En bovenal welk eene keurige scène is de theepartij! Hoe natuurlijk loopen de gesprekken; hoe goed gezien, om Rymer uit beleefdheid de oude Heeren te doen aanspreken, en zoo tevens een gesprek te doen ontwikkelen over mode en litteratuur. Stellen wij er ons de gasten bij voor, die op den achtergrond aan speeltafeltjes zitten, en de bedienden, die presenteeren, wat een levendig tooneel!

In mijn Pieter Langendyk heb ik het gesprek over mode en litteratuur een hors d’oeuvre genoemd; op dit oordeel kom ik terug. Het dient, behalve tot gisping der zeden, tot noodzakelijke toelichting van den stand van zaken. Zonder dit zou het geheele blijspel minder duidelijk, minder te begrijpen zijn. Wel wordt het echter veel te lang uitgesponnen, vooral waar het de letterkunde en het tooneel betreft. Hoe aardig deze passage bij ’t lezen is, moet dit toch als een gebrek beschouwd worden. Dit is dan ook zeker werk uit zijn ouderdom; immers de kwestie der beneficevoorstellingen kwam eerst na ter sprake (z. aant. 29). Deze uitweiding was geheel tegen Langendyks principes van eenheid en regelmaat. Den regelmaat vinden wij wel in acht genomen in de verdeeling der stof over de drie bedrijven, die zeer goed geslaagd is. De Spiegel der Nederlandscke Kooplieden moge gebreken hebben, toch reken ik het stuk onder de beste van Langendyk, en tevens tot die weinige tooneelspelen uit de 18e eeuw, die schoon minder tintelend van leven, aan die van de 17e doen denken; ook tot die welke verdienen nu nog gelezen te worden, en den lezer nu nog een werkelijk genoegen verschaffen. Met ingenomenheid heb ik dan ook in 1892 een nieuwe uitgave ervan bewerkt voor het Klassiek Letterk. Pantheon, waarin ’t nog niet was opgenomen, en met genoegen zie ik, dat nu reeds een zesde druk noodig is.

Ten slotte nog eenige woorden over de uitwendige geschiedenis van den Spiegel.

In 1760 kwam het, blijspel voor het eerst in ’t licht, en wel in Deel IV der Gedichten. Behalve in deze uitgave vindt men het ook afzonderlijk gedrukt „voor de liefhebbers” 8o, z. pl. of j. Dit is waarschijnlijk wat later verschenen; ’t is een zuivere nadruk. Zonderling genoeg schijnt het nooit meer herdrukt te zijn vóór het jaar 1865, toen de Heer F. G. van Pesch er eene met aanteekeningen voorziene uitgave van bezorgde. Ook schijnt het vroeger nooit vertoond te zijn; noch de verzameling van aanplakbiljetten in de collectie Hilman (Bibl. Amst.), loopende van 1820 tot 1859, noch die van programma’s loopende van 1820 tot 1859, vermelden den naam. Wel werd in Februari 1827 en Januari 1828 opgevoerd een Nieuwe Spiegel der Nederlandsche Kooplieden, door C. van de Vijver bewerkt naar het voorbeeld van Langendyks blijspel.

Volgens Dr. J. A. Worp moet eindelijk het stuk zelf in 1893 voor het eerst, te Amsterdam, ten tooneele gebracht zijn.

In April 1925 is het door het Rotterdamsche Hoftooneel opgevoerd, o.a. te ’s-Gravenhage en wel dank zij de verdienstelijke regie van Hermann Schwab, op uitstekende wijze; de verschillende rollen waren uitnemend bezet(o.a. Ernst door den regisseur zelf); ik had het genoegen de opvoering bij te wonen, en heb ervan genoten. De opkomst was niet groot, doch de critiek gunstig. Frits Lapidoth besloot zijn beschouwing met de volgende woorden: „Jammer genoeg, was er niet veel belangstelling voor de met veel liefde voorbereide vertooning. Vooral de eerste twee. bedrijven „doen” het nog best. Het publiek toonde zich zeer tevreden”.

K. Sp(eelman) schreef o.a.: „Op traditioneele wijs in historische kostuums gespeeld, afgewisseld door zang en dans, kon men zich werkelijk wanen een stukje leven uit de 18de eeuw mee te maken”.

De Pantheon-uitgave van 1892 is een nauwkeurige overdruk van de uitgave van 1760 (in het IVde Deel), slechts op zeer weinige plaatsen heb ik de punctuatie veranderd. In Bedrijf I, tooneel 9staat er enkele malen achtereen ú voor u; daar dit blijkbaar aan een fout van den zetter te wijten is, heb ik die accenten weggelaten.

De herdruk van 1902 was gelijk aan die van 1892. De enkele wijzigingen in punctuatie en accenten werden in dezen herdruk achteraan opgegeven.

De derde, vierde en vijfde drukken (1911, 1917 en 1920) waren weder gelijk aan die van 1902; in Inleiding en Aanteeningen kwamen enkele veranderingen.

Ook deze zesde druk is weder nauwkeurig herzien naar de oorspronkelijke uitgave (evenals de 2e, 3e, 4e en 5e druk), en weder zijn in de Inleiding en Aanteekeningen verscheidene veranderingen en bijvoegingen aangebracht.

Den Haag, Najaar 1928.

C. H. PH. MEIJER.


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001