Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

EERSTE BEDRYF

Het Tooneel verbeeld een Kamer, waar in Ernst in een hoek, aan een Tafeltje daar een schotel spys op staat, zit te slaapen.

EERSTE TOONEEL.

ERNST, MICHEL, ZOETEKAUW.

MICHEL.

Oldvder, dr stt een schotelken. Wil stoe nigt vretten?
De spies is kold geworden: ik sol ’er een luttel vuur onderzetten.

ZOETEKAAUW.

De Kok is in ’t voorhuis, met de venezoenen?, de pastyen en het koud gebraad,
Dat t’ avond op tafel moet koomen. Mogen ze hier inkoomen, Kamaraad?
Myn volk is’er ook met de piramiden.

MICHEL.

                                                         Wat behoeft stoe dat te vroogen,
Banketbakkerken? lt zie dat bi de Deernen in de Keuken droogen.

ZOETEKAAUW.

Mannen, kom maar binnen, in order, achter malkaer.

De Knechts van den Banketbakker en den Kok draagen, n voor n, achter malkander, piramiden van banket, coefituuren, tempels van suikerwerk, venezoenen, gebrood en pastyen in schotels; waar mede zy vervolgens weder binnen gaan in een ander zyscherm.

TWEEDE TOONEEL.

LICHTHART, LOSBOL, JORIS, ERNST, slaapende,
MICHEL, ZOETEKAAUW.

ZOETEKAAUW, tegen LICHTHART.

Heer Tractant dat is goed! zie ik u daar?
Ik wensch u veel geluk met de vermeerdering van uw jaaren.

LICHTHART.

Ik dank u, vriend Zoetekaauw.

ZOETEKAAUW.

                                              Ik wensch u lang wel te vaaren.

LICHTHART.

Ei, Meester Zoetekaauw, blyf hier een weinig staan.
Zeg flus aan uw volk dat zy de achterdeur moeten uitgaan.

ZOETEKAAUW

Mynheer Lichthart, ik heb zo veel werk met de suikertafel, klaar te maaken,
Dat ik niet weet hoe ik ’er met fatsoen door zal geraaken.
Ik practizeer om alles uittevoeren met de uiterste kunst,
En hoop zo veel genoegen te geeven dat ik zal blijven in uw gunst.

LICHTHART.

Maar, Meester Zoetekaauw, ik ben nieuwsgierig hoe gy de tafel zult stoffeeren.

ZOETEKAAUW.

Zo als ik gedaan’heb in den Haag by Ambassadeurs en groote Heeren.
Ik heb duizende ’ figuuren, die ik bewaar in fyn Engelsch glas.

LICHTHART.

Maar zeg; wat zinnebeeklen breng je op dit Verjaarmaal te pas?

ZOETEKAAUW.

De toren van Babel zal van witte suiker staan, in het midden van een’ vyver,
Volgens de prent in Flavius Josephus, den Joodschen Historie-schryver.
Uw naam en jaardag zal boven den ingang geschreeven staan in goud.
De vyver zal rondom met grotwerk zyn, sierlyk opgebouwd.
Venus zal ’er met haar schulp in laveeren; en daar zullen walvisschen in zwemmen.
Je zult ’er Nepthunus met zyn’ drietand in zien, die de zee zal temmen.
Daar zullen twee Oostindische Schepen in zeilen, naar Batavia gedestineerd.
Bemand met gesuikerde Lichtmissen, die hun goed hebben verteerd.
De naamen van de schepen zijn de Faeton, en de Icarus, die op het Stadhuis is uitgehouwen.

LICHTHART.

Ja. zyn beeldtenis kan men voor de Desolaate Boedelkamer aanschouwen.

ZOETEKAAUW.

De Schreijershoeks toren zal voortaan op het grotwerk staan.
En daar zal men de lichters hebben, daar het volk mee naar Tessel zal gaan

LICHTHART.

Is dat uw eigen inventie?

ZOETEKAAUW.

                                        Neen, dit heeft uw Vader my zo gelieven te beduijen.

LICHTHART.

Als je dat op de tafel zet, zal ik al je suikere poppen en ornamenten in stukken bruijen.
Want het is een pasquil, en het raakt myn fatsoen.

ZOETEKAAUW.

Het is my zo geordonneerd: ik heb ’er verder niet mee te doen.

LICHTHART.

Maak Papa eens wakker, Michel.

MICHEL.

                                                     Oldvder! Oldvder! doe moest ontwken.
Wel hi sloopt zo vast dat ik hem nig wakker kan mken.

LICHTHART.

Wy zullen hem daar na wel spreeken. Het kan wel zyn.
Ik weet dat hy zulke luizen heeft, die oude tagryn.
Maar, Meester Zoetekaauw, zou je dat niet veranderen kunnen? je hebt zo veel figuuren.

ZOETEKAUW.

Als ik ’er den tempel van Mercurius voor in de plaats zal zetten, heb ik werk tot negen uuren.

LICHTHART.

Gaa, doe dat dan.

DERDE TOONEEL.

JORIS, LICHTHART, LOSBOL, MICHEL, ERNST, Slaapende. LOSBOL.

                            Dat heeft Je vaer met voordagt gedaan
Om ons te verwyten dat wy met ’er tyd naar Oostindie zallen moeten gaan.
En dat weet Joris wel beter, want die heeft altyd onze boeken gehouwen.
Niet waar, Joris?

JORIS.

Ja, Myn heeren, maar ik zeg je in vertrouwen
Dat gy in de laatste jaaren zo zeer zyt achteruit geteerd....

LOSBOL.

Daar willen wy niet van hooren, Joris.

JORIS.

                                                            Ik zeg, dat het my van harte deert.

LICHTHART.

Van daag is het geen dag, Joris, om te zuchten of te zorgen.
Ik ben jaarig. Heb je iets te zeggen, spreek dan morgen.
Je zult mee t’ avond soupeeren, en met de vrienden vrolyk zyn.

JORIS

En de oude Mannen?

LICHTHART.

                                  Die zullen wy wel een staartje wyn
Of wat rystenbry op dat tafeltje geeven, daar Papa aan zit te slaapen.
Daar word hy wakker: hy vryft zyn oogen en begint te gaapen.
Heb je een uiltje geknapt, Vader? zyt ge nu wat beter te vreen?

ERNST.

Daar zou ik geen reden toe hebben. Moei me niet, en brui maar heen!
Naar uw uitzuipers, die je den honing om den mond weeten te smeeren.

LICHTHART.

Wel, Knorrepot! hier zyn niet anders dan fatsoenlyke Dames en Heeren.

ERNST.

Dat kan zyn: maar het zyn geen Lieden van zulk een’ staat,
Dat je ze behoeft te tracteeren met zo veel overdaad.
Veel minder dat je my en myn’ Broeder zo versmaadelyk uit het gezelschap behoeft te schuiven,
En laaten ons alleen aan dat tafeltje kluiven.

LOSBOL.

Gy zyt immers oude Patriotten: gy behoort niet meer by de vreugd.

ERNST.

En gy zyt jonge Lichtmissen, die geen schaamte hebt noch deugd.
Als ik geweeten had dat gy zo zoud tracteeren, en zo overdadig leeven,
Ik zouje zulk een groot Capitaal niet ten huwlyk hebben gegeeven,
Daar ik my zelven mede bedorven heb, en geraakt ben buiten staat.
Wat meenje, Neef Losbol, dat het my niet ter harte gaat
Dat gy uw’ ouden Vader, die myn broeder is, zo schandelyk durft versmaaden?
Hoe! denkje niet dat ik weet dat myn zoon en gy u te saamen hebt beraaden
Om ons uit het huis te zetten? maar dat zal zo niet gaan:
Wy hebben elk nog zes duizend guldens onder u op renten staan,
En gy durft de stoutheid hebben om ons in ’t Oudenmannenhuis te bezorgen!

LOSBOL.

Wel ja, paai, dat weet ik wel: dat heb ik hem geraaden deezen morgen.

ERNST.

Dat is genereus, Jongens: hebben wy u niet beiden opgevoed?
En heb je vergeeten dat de wet zegt dat men zyn Ouders eeren moet?

LICHTHART.

Dat knorren is al lang genoeg. Ik wil ’er myn kop niet meer mee breeken

ERNST.

Ik beloofje, Vogel! ik zal u wel een stokje in ’t wiel weeten te steeken.

LICHTHART.

Wat wil je dan hebben?

ERNST.

                                     Dat gy ons behandelt met fatsoen,
Gelyk alle eerlyke kinderen in zulk een geval zouden doen.

LICHTHART.

En wat nog meer?

ERNST.

                              Dat ik je waarschouw, Verwaarloozers van uw dingen!
Dat gy ons Capitaal zult opbrengen: want wy vreezen dat gy in korte dagen zult springen.

LICHTHART.

Om zulke redenen te vermyden zyt gy aan de tafel niet genood.
Gy zyt ’er niet te goed toe, al leide gy alle onze zaaken voor het geheele gezelschap bloot.

ERNST.

Dat zyn maar doekjes voor ’t bloeden: wy zyn wys genoeg om ons daar voor te wachten.

LICHTHART.

Dat zou te bezien staan. Maar daar schiet my iets in de gedachten.
Heb’t gy den Banketbakker, die tegenwoordig de desserttafel stoffeert.
Zulk een fraai concept opgegeeven, en aan hem geordonneerd
Om den Babilonschen toren en twee Oostindische schepen op de tafel te zetten?

ERNST.

Ja, dat heb ik gedaan.

LICHTHART.

                                   Wel! Paai! dat zullen wy hem wel beletten.
Gy kunt al fraaije zinnebeelden bedenken: gy zyt een man vol van geest.
Hadden wy hem niet gesprooken, het had waarachtig t’avond op de tafel geweest.

ERNST.

My dunkt dat het al vry toepasselyk is op uw los en overdaadig leeven.

LOSBOL.

Ik geloof dat j’er op studeert om ons geduurig knorhaanen en drooge bokkens te geeven.

LICHTHART.

Daar is Oom Kwylbaait ook. Laat ons binnen naar de toebereidsels eens kyken gaan.
Die Paai zou Papa helpen, en dan had men nog in geen uur gedaan.

VIERDE TOONEEL.

HENDRIK, ERNST, JORIS.

HENDRIK.

Broeder, hoe gaat het al? is het wel met uw genoegen?
Wat doet gy hier alleen te zitten? wy kunnen ons immers by de Vrinden vervoegen.

ERNST.

Neen, Broederlief, wy zyn niet genood: wy moeten hier alleen alleen zitten kluiven in een hoek.
Het kan my weinig verschillen: want het is een gezelschap dat ik niet zoek,
Schoon het mogelyk braave lieden zyn. Ik ken ze geen van allen.

ERNST.

Het zy zo ’t wil: het gezelschap zou me tegenwoordig niet bevallen.
Ik heb van kwaadheid niet willen eeten. Hebt gy een doos in uw’ zak?
Ik heb tegenwoordig een’ natuurlyken trek tot een pyp tabak.
Ei, Joris, wil je eens een paar pypen krygen? wy zullen eens rooken.
Broeder, hebje lust tot dat kliekje?

HENDRIK.

                                                         Neen ik wil ook wel eens smooken.
Hebt je ook iets nieuws?

ERNST.

                                         Welja. Onze Jongens zyn ons moe.
Zy willen ons de kost niet meer geeven: wy moeten naar ’t Oudenmannenhuis toe.

HENDRIK.

Wel, dat denk ik immers niet.

ERNST.

                                                Ja Man, wy zyn oud, en wy worden lastig.
Ik voor my, ik wil het wel weeten: ik ben vry wat kwastig.
Het capitaaltje, dat wy nog hadden, hebben wy onder onze kinderen staan.
Maar het spyt my, Broer: wy hebben zeer onvoorzichtig gedaan.
Nu stooten zy ons met den voet. Hadden wy het brood onder den arm gehouwen,
Dan zouden ze ons geen smaad kunnen aandoen, die ik nooit van hun had kunnen vertrouwen.

HENDRIK.

Ach, Broeder! hadden wij in tyds ergens onze kost gekogt,
Dan zouden wy niet zien dat ons goed dus word doorgebrogt.
Maar dat spyt me ’t meest dat ze zeggen dat wy van hun moeten leeven.
Hebben wy ze niet elk vyftig duizend guldens ten huwelyk gegeeven,
Kunnen wy gebeteren dat ons de hemel bezogt heeft met tegenspoed?
Is het wel om te vergeeten dat men in zyn’ ouderdom zulk eene ondankbaarheid ontmoet?
Het zyn onze kinderen: eischen wy ons geld op, men zou ze runeeren.

ERNST.

Wy zullen dan moeten zien dat zy het in dertelheid verteeren.
Wy moeten paar ’t Oudenmannenhuis, Broertje, of wy willen of niet.

HENDRIK.

Ja wel, zo dat gebeuren moet, zal ik sterven van verdriet.

ERNST.

Dien brok zal men verzwelgen moeten, al zyn wy nog zo onverduldig.

HENDRIK.

Heeft de negotie ons tegen geloopen, wy zyn echter niemand schuldig.

ERNST.

Zyn wy niet altyd deftige kooplieden geweest, en daarvoor op de Beurs bekend?
Is ’er wel iemand een duit bij ons te kort gekoomen? ik zal treuren tot myn end’.

JORIS.

Mynheeren, ik heb een’ Engelschen brief ontfangen, die aan u is geschreeven;
En ik heb geen gelegenheid gehad om hem alleen in uw handen te geeven .

ERNST.

Hy zal van den Heer Jork zyn, onzen vriend en Correspondent,
Die onze lotbriefjes heeft.

HENDRIK.

Ja, de hand van ’t opschrift is my bekend.

ERNST opent den brief en leest.

MYN HEEREN,

Ik heb by deezen de eer u te feliciteeren met twee hooge pryzen uit de Lotery van Londen.
Namenttlyk, de eene van tien duizend, en de andere van vyf duizend ponden:
En dewyl het Capitaal reeds ontfangen is, en onder my berust,
Zende ik, by provisie, voor vyftig duizend guldens aan remizen dewyl my is bewust
Dat Uw Ed. de penningen zult kunnen beleggen. Geliefd verder te ordonneeren,
Op welke wyze ik het overige Capitaal zal transporteeren.
Ik blyve met achting

Uw Ed. Dienaar en Vriend, JORK.

HENDRIK.

Ik beef van ontsteltenis!

ERNST.

Ik ook, Broeder! dit is een geluk dat boven alle verwagting is,
Ach, Jorisje! geef ons een glas wyn. ’t Is of myn beenen onder my bezwyken.

HENDRIK.

Ach, Broeder! myn handen beeven: laat ons de remizen eens bekyken.

ERNST.

Zy zyn getrokken op bekende Kooplieden in deeze Stad.

HENDRIK.

Joris, wy hebben altoos veel vertrouwen op uwe oprechtheid gehad.
Gy hebt ons altyd getrouw gediend. Gy moet ons geluk nog niet ruchtbaar maaken.
Vooral moeten ’t onze kinderen niet weeten: wy zullen u gebruiken in alle onze zaaken.

ERNST.

Zie daar: gy moet deeze Wissels laaten accepteeren: steek ze in uw brievetas.

JORIS.

Mynheeren, veel geluks! ik bedank u. Daar is elk een glas.
Ik heb het wel geweeten dat ’er loten door u ingeleid waaren.

ERNST.

Ja, dat was nog uit ons capitaaltje, dat wy stil hebben weeten te bespaaren.

JORIS.

Nu, Mynheeren, ik gaa daar heen.

VYFDE TOONEEL.

ERNST en HENDRIK, zittende aan hun tafeltje te rooken.
HENDRIK.

                                                       Ik twyffel nog of ik waak, of droom.

ERNST.

Wy moeten dit nog wat verhoolen houden, en zien de kat uit den boom.
Want ik heb gemerkt dat ’er met Lichthart een bommel staat uit te breeken.
Als de Wissels geaccepteerd zyn, moeten wy onzen ouden Cassier aanspreeken.
Ons capitaal moet voor eerst in de bank: doch wy hebben ook wat casgeld van doen;
En verders zullen wy een huis huuren of koopen, naar ons fatsoen.

HENDRIK.

Laat ons by malkander woonen en een oude zorg van een Meid huuren.

ERNST.

Dat is goed: wy zullen ’er Joris wel eens op uit stuuren.
Daar komt myn kleinzoon: hy schynt niet wel in zyn’ schik.

ZESDE TOONEEL.

ERNST en HENDRIK als voren; SYBRAND.

SYBRAND.

Myn lieve Groote Papa! ik heb iets gehoord, niet zonder schrik.
Gaa je met Oom in ’t Oudenmannenhuis woonen? kan ik dit gelooven?
Dat zou my aan ’t hart gaan.

ERNST.

                                             Ja, Kind, de oude lieden worden verschooven.

SYBRAND.

Ei, doe dat niet, myn liefste Groote Papa! blyf nog wat in huis.

ERNST.

Myn lieve Sybrand! gy hebt my dikwils vertroost in myn’ tegenspoed en kruis.
Het zal u wel gaan, kind; gy hebt u altyd vroom en naarstig gedraagen,
En my, die uw Grootvader ben, ondersteund in myne oude dagen.
De heer Rykerd, by wien gy nu zes jaar op het comptoir hebt gestaan,
Heeft altyd met lof van u gesproken, en je staat hem zo wel aan,
Dat ik geloof, zo je lust had om je in ’t huwelyk te begeeven,
Dat hy, schoon gy geen duit bezat, zyn eenige Dochter met u wel zou willen doen leeven.

SYBRAND.;

Om u de waarheid te zeggen, Grootvader, dat staat al op een’ goeden voet.
De Juffrouw en ik zyn ’t eens.

ERNST.

                                                Dat verheugt my: zy is nederig opgevoed.

Ik heb ze, van een kind af, gekend.

SYBRAND.

                                                         Hoor, Groote Papa; zo ik het geluk heb van met haar te trouwen,
Kunt gy met Oom Hendrik by ons woonen.

HENDRIK.

                                                                       Goed: dan zullen wy ons zo lang buiten ’t Oudenmanpenhuis houwen.

ERNST.

Myn lieve Zoon! zorg niet voor ons: wy hebben geen’ nood.

SYBRAND.

Zo lang ik een stuiver in de waereld heb, zult gy ’er de helft van hebben tot brood.

ERNST.

Het geen je daar zegt, (denk ’er op,) zal je duizenden guldens baaten.

SYBRAND.

Maar schoon ik het met de Juffer eens ben, ik durf my op haar’ Vaader niet verlaaten.
Hy heeft niet veel crediet voor myn’ Papa; want hy heeft een’ wisselbrief tot zyn last
Die geprotesteerd is van nonbetaaling; waarin Papa zeer heeft misgetast.

ERNST.

Zorg daar niet voor: ik heb een’ Vrind, die hem het geld deezen dag zal beschikken.

SYBRAND.

Daar spreek je een woord, Groote Papa! daar je myn hart mee kunt verkwikken.

ERNST.

Neef Sybrand, is je Liefste niet mede genodigd op dit feest?

SYBRAND.

Grootvader, zy is te middag ook met my op de maaltyd geweest.
Zy is nog in huis, en zal met Mama, en Meu Zoetje een kopje thee drinken.
Wat was zy verbaasd door all’ de juweelen die zy zag blinken!
Zy kon geen woord spreeken: zy had nooit zulk een pracht aanschouwd.

HENDRIK.

Zo veel te beter: dat is een teken dat zy zich nederig houd.

SYBRAND.

Daar komt zij zelve.

ZEVENDE TOONEEL.

RYKJE, SYBRAND, HENDRIK, ERNST.

RYKJE.

                                  Sybrand, laat ge my alleen? waarom zyt ge my zo stil ontweeken?

SYBRAND.

Liefje, gy waart immers by Mama: ik moest Oom en Grootvader spreeken.

RYKJE.

Wel, ouwe Luidjes, hoe vaart gy al? zyt gy nog frisch en gezond?

ERNST.

Ja, zoete Juffertje.

RYKJE.

                              Hoe komt het dat ik u op de maaltyd niet vond?

ERNST.

Wy zyn te oud van jaaren, en kunnen ons beter in onze eenzaamheid vermaaken.

Wat dunkt ’er u van?

RYKJE.

                                    ’t Is of ik in een’ droom ben, daar ik niet uit kan ontwaaken.
Ik heb ’er geen vermaak in, want daar zyn geen Juffers van myn soort.
Ik geloof dat het meest Franssen zyn, en ik verstaa van die taal geen woord.
Myn Papa heeft my nooit school willen leggen by de Franssen.
Ik kan wel zingen en speelen: maar ik heb nooit leeren dansen...
Daar heb je ’t gantsche gezelschap.

ACHTSTE TOONEEL.

LICHTHART, RYMER, ZOETJE, LOSBOL te KWISTGOED, gevolgd van eenige Heeren en Dames, uit een zyvertrek komende; HENDRIK, ERNS., RYKJE, SYBRAND, MICHEL. KWISTGOED.

               Dames en Heeren, wy verzoeken doet ons de eer
En kom, zo ras als ’t u mogelyk is, tot onzent weer.
Wy hebben een dubbelde en een enkelde logie laaten bespreeken.
Wy zullen sleedjes bezorgen. Ik bid u, blyf niet in gebreeken.

Eenige Heeren leidde de Dames maar hunne Huizen, en anderen gaan aan tafeltjes zitten om te speelen.

ZOETJE.

Willen wy een kopje thee drinken, Nichtje, terwyl ’er gespeeld word en gerookt?

KWISTGOED.

Michel, vraag eens aan de Meiden of het theewater al kookt.

MICHEL.

’t Is wel Jonferen; wil stoe te hp theewater zoepen,
Dan zol ik een Mget of twee, om joe te dienen, roepen.
Elsken! Elsken! bringt den theekettel met wter en koppekens aan den bak.

Femmeken! Femmeken!

Van binnen word geroepen.

                                          Ja, Michel wy koomen strak.

MICHEL.

Dan moest ie wat hzevet onder de toffelkens smeeren.
Elsken! Elsken! kom nstonds bi de Jonfers ond Heeren.

NEGENDE TOONEEL.

Het vorige Gezelschap; ELSJE, FEMMETJE.

De Meiden gaan met Michel de schermen uit en in, om theewater, confituuren
en andere kleinigheden aan te brengen, en het Gezelschap te bedienen;
’t welk duuren moet tot het einde van het Bedryf.

RYMER.

Wat dunkt u, Heer Ernst? Mynheer uw Zoon tracteert ons cordaat.

ERNST.

Dat is geen wonder, Mynheer, want hy is een man in staat.

RYMER.

Als men het doen kan, moet men op zyn’ jaardag zyne Vrinden treffelyk onthaalen.
Het geschied maar eens in ’t jaar.

ERNST.

                                                      Ja, maar hier geschieden meer zulke gastmaalen.

RYMER.

Ik beken dat ik nooit in iemants huis zo heerlyk ben getracteerd:
Maar ik heb somtyds aan een ryk en deftig Paar wel een bruiloftsvaars vererd,
Waarvoor ik in gezelschap van verscheiden voornaame Poeten,
In het Heeren logement en den Doelen prinsselyk heb aangezeeten.
Het spyt me dat ik voor den heer Lichthart geen verjaardicht heb gemaakt.
Ik heb het wel begonnen; maar het is niet ten einde geraakt.
Ik wist het niet vroeg genoeg, en daarom heeft het niet willen lukken.
Schoon het Vygen na Paasschen zyn , ik zal het nog doen, en laaten het drukken.

ERNST.

Mynheer, ik heb ook een vaarsje gemaakt; want ik weet ook iets van de pozy.
Als uw vaars gedrukt word, voeg ’er dan dit by.

Die boven zynen staat zyn’ Meerder wil onthaalen,
Nooit op zyn zaaken denkt, geduurig teert en smeert,
Word wel van elk gevleid so lang hy banketteert:
Maar als hy, magteloos, zyn schuld niet kan betaalen,
Keert elk den rug hem toe, tot hy met schimp en smaad
Op ’t scheepje de Icarus in ’t eind’ om peper gaat.

RYMER.

Is dat uit den geest, Papa? of hebje ’t uit een boek geschreeven ?

LICHTHART.

Ja, wel is het uit den geest: hy is in zulke schimpdichtjes bedreeven.

RYMER.

Wel Papa, gy steelt myn hart. Zyt ge zulk een liefhebber van de pozy?
Dan heb ik veel respect voor u: geloof me vry.

ERNST.

Ik pleeg wel eens een gedicht te maaken op myn maagschap en vrinden:
Maar ik heb somtyds een paar uuren werk om het rymwoord te vinden.
Ook heb ik eens in myn jeugd in een Kunstgenootschap geweest.
Maar ik moest het verlaaten: want ik was niet verheven genoeg van geest.
Ik heb eens drie jaaren aan een fransch Treurspel gerymd, en als ik het zag gelukken.
Kon ik het niet gespeeld krygen: eindelyk scheurde ik het aan stukken,
Om dat ik ’er beter vertaaling van zag. Myn eigen vindingen waaren ook onnut:
Want de beste stoffen tot Treur- en Blyspelen waaren uitgeput.
Ik heb gezien dat ik wel twintig jaaren te laat in de waereld ben gekoomen.
All’ wat fraai is, vond ik vertaald. En word ’er een nieuw stuk in ’t fransch vernoomen,
Dan vallen ’er aanstonds een vyf zes Poeten te gelyk op, die de rymkunst verstaan:
En eer een ander begonnen heeft, hebben zy altemaal al gedaan.

RYMER.

Het waar’ nutter dat ze zelf een goed Spel uit het hoofd konden maaken.

ERNST.

Dan moest men de taal en de tooneelwetten verstaan, en een’ geest hebben tot verheevene zaaken.

RYMER.

Daar zyn evenwel Vaderlandsche Spelen, waarmede de Dichters lof hebben verdiend.

ERNST.

Dat beken ik: maar hun getal is zeer klein, myn Vriend.

RYMER.

Wel, Vondel en Hooft dan?

ERNST.

                                             Hunne Spelen zyn heerlyk, zinryk en verheven:
Maar zy waaren in dien tyd meer in de taal en dichtkunst, dan in de tooneelwetten bedreeven.

RYMER.

Gy zyt een Liefhebber, Papa.

ERNST.

                                             De Schouwburg trekt al meenigen schelling uit myn’ zak.

RYMERR.

Heer Lichthart, waarom neemt ge den ouden man niet altyd mee in den Bak?

LICHTHART.

Dat zou hy niet willen doen: want hy heeft eigenzinnige grillen.

RYMER.

Zo hy myn Vader waare, ik zou hem altijd mee hebben willen.

ERNST.

Neen, hy is zo bekend onder de Heeren en Dames en ryksten van de stad,
Dat hy zich schaamen zou als zy wisten dat hy my tot een’ Vader had.

LICHTHART.

Zulke drooge bokkens moet ik den gantschen dag van hem verdraagen.

ERNST.

Bezorg my in ’t Oudenmannenhuis, dan zyt ge van my ontslagen.

RYMER.

Wat dunkt u van de Speelers? zyn ze wel zo goed als in vroeger tyd?

ERNST.

Mynheer, sommigen zyn beter, anderen wat minder: elk doet zyn vlyt.

RYMER.

Ik moet u iets vraagen. Dunkt u niet dat de Acteurs veel beter dan voor dezen speelen,
Sedert dat het hen vergund is jaarlyks de vruchten van twee tooneelstukken te deelen?

ERNST.

Ja, dat heb ik wel opgemerkt: dat hebben de Heeren zeer wel bedacht.
Want door goede belooning word de Schouwburg in staat gebragt.
Indien ze’noch verder geliefden te gaan; en op die wyz’ de Poeten te beloonen,
Dan zou men haast op den Schouwburg nieuwe en fraaije stukken zien vertoonen,
En veele oude prullen zouden met ’er tyd raaken aan een’ kant.

RYMER.

En waarin zou die belooning bestaan?

ERNST.

                                                             Gelyk in Vrankryk en in Engeland.
Als ’er een Tooneelstuk van eigen vinding word vertoond binnen Londen,
Dan word ’er een spel voor den Dichter gespeeld, en de voordeelen hem t’huis gezonden.
Dat wekt de geesten op, en maakt de Liefhebbers kloek.
Dan zouden ’er geen fraaije Spelen half afgedaan blyven leggen in een’ hoek,
En men zou zien dat onze Natie ook bekwaam was om groote geesten aan te kweeken.

RYMER

Onze Poeten zouden veel te genereus weezen om van zulke dingen te spreeken

ERNST.

En waarom zyn ’er de grootste Dichters in Vrankryk, en onder anderen Voltaire niet te genereus toe geweest,
Die duizenden ontfangen heeft voor de vruchten van zyn’ geest?
Is bet geen schande voor de Schilders dat zy beloond worden, het is geen schande voor de Poeten.
Want de Dichtkunst en Schilderkunst zyn zusters, gelyk wy weeten.

KWISTGOKD.

Mynheer, uw discours is uit, merk ik. Lust u een kopje thee?

RYMER

Als het u gelieft, Mejuffer: ik drink,wel een kopje mee.
Maar zult gy de oude Luiden ook niet een kopje presenteeren?

KWISTGOED.

Die zeggen dat ’er de handen van beeven: zy zouden ’t niet begeeren.

RYMER.

Wel, Madame, dat is excellente thee! zy is geurig, en ze is als fluweel in den mond.

KWISTGOED.

Mynheer, het is iets raars: ze kost my honderd guldens het pond.
Ik heb ’er een katje van twee pond door een vriend van gekreegen,
Hy heeft ze van een’ Mandaryn van Canton, die hem zeer was genegen.
Men verzend ze nooit: zy word alleen van den Keizer van China en zyne Vrouwen gebruikt.

RYMER.

Wel ik moet bekennen dat ze door de heele kamer ruikt.
Ik wist piet dat ’er zulke thee was: ik heb ze nooit zo gedronken.

KWISTGOED.

Zy word, gelyk ik gezegd heb, alleen aan het hof voor den Keizer geschonken.
Wat dunkt u daarvan, Juffrouw Rykje?

RYKJE.

Mama Kwistgoed, het is weergaalooze thee.

KWISTGOED

Ik zal ’er u een half pondje van present doen in een zilver bosje: als je gaat, neem het dan mee.

RYKJE.

Wel heer, Mama! daar kan ik wel een jaartje of twee wel van vaaren.
Ik zal ze maar drinken als ik niet wel ben.

HENDRIK.

Dat is wysselyk in zulke jonge jaaren.

ERNST.

Wel zo, Dochter! heb je twee honderd guldens aan twee pond thee verbruid?
Die moet je van een’ smous gekogt hebben: men weet hoe dat volkje somtyds den mensch snuit.

KWISTGOED.

Ik wil nog wel eens zo gesnooten zyn. Meen je dat ik niet kan proeven ?

ERNST.

Wel Kind, als ik zulke dingen hoor, moet ik my in myn’ geest bedroeven.

KWISTGOED.

Wel die twee schoteltjes met ortolans, die te middag op de tafel hebben gestaan,
Hebben myn’ man zestig ducaaten gekost, en die zyn altemaal opgegaan.

ERNST.

En wat is dat voor kost?

KWISTGOED.

                                       Kleine Fransche vogeltjes; een zeer delicieus eeten.

ERNST.

Wel heb je dan geen gebraaden kikkerboutjes en champigjons gegeeten?
Dat is ook lekkere knap. Men doet toch alles op zyn Fransch.

KWISTGOED.

Neen, op zyn Engelsch ook.

ERNST.

                                             Wel dan is ’er dubbele kans
Voor alle soorten van naaisters, Engelsche en Fransche snidders.
Gy gelykt wel Marquizinnen, en uw Mans Milords of Engelsche Ridders.
Wat heeft je dat speelreisje gekost naar ’t land van Cleef?

KWISTGOED.

Dat is je vergeeten, Papa. Meen je dat het gezelschap daar bleef?
Neen; wy zyn naar Berlyn geweest, om daar de prachtige hofhouding te beschouwen.

ERNST.

Dat zal al een duitje gekost hebben aan twee Lichtmissen van mans en twee dartele vrouwen.

ZOETJE.

Het is wonder dat Oom van onze Amazoons kleedjes niet spreekt.

ERNST.

Wat zyn dat voor prullen? Ik geloof dat gy ’er de gek me steekt.
Gy hebt met uw beiden zo veel galanteryen, doosjes, strikken en kwikken,
Dat men ’er op de kermis wel een dubbelde kraam mee zou kunnen opschikken.
Zyt gy Amazoonen geworden? Ik weet wel van uw coqueluchons.
Maar hoe veel geld dat ze gekost hebben, zult gy wel zwygen aan ons.

ZOETJE.

Om dat je van de kermis spreekt zal ik je voorthelpen. Ik heb een’ waaijer,
En een tabatiere, vry wat kostelyker en fraaijer
Dan ’er ooit op de kermis geweest is: heb je die wel gezien?

ERNST.

Ja, die kosten uw’ man wel twintig of dertig ryders misschien.
Maar wat komt het daar op aan? hy heeft u dat tot een gedachtenis gegeeven:
En dat zyn dingen die men bewaaren moet voor al zyn leven.
Maar ik heb geen behagen in uw kleeren, noch op zijn Engelsch, noch op zyn Fransch.

ZOETJE.

Wel zou ik dan een Spaansche huif draagen, als Dieuwertje, in het spel van Jan Claaszen en Saartje Jansz?

LICHTHART.

Papa, gy zit nu op uw praatstoel: zeg eens hoe we behoorden te leeven.

ERNST.

Ik heb nu een goede luim: dat zal ik je door een historie te kennen geeven.
My is verhaald dat ’er een deftig aanzienlyk Heer is geweest,
Die all’ zyn Neeven en Nichten genood had te feest.
Zy kwaamen met koets en paarden voor de deur: altemaal in prachtige kleederen.
Hy ontfing ze minnelyk, en stelde ze op de eetzaal in ryen en geleederen.
Als hy de Dames een welkomkusje gegeeven had, wierden ze elk naar rang aan de tafel gebragt.
Daar niets op stond. Als men eenigen tyd had gewagt,

Wierden ’er geen andere schotels opgedischt dan met gort, water en bry, en boekende koeken.
De Dames trokken de neuzen op, en zeiden; „Heeft Oom ons op zulke misselyke kost laaten verzoeken?"
„Ja, Kinderen, (sprak de Tractant:) Door het eeten van zulke spys hebben onze Voorouders hunn’ rykdom vergard.
„De zuinigheid en naarstigheid van de oude Hollanders was by alle natin vermaard.
„Zo is ons Land opgekoomen; zo is het magtig geworden om zyn Vyanden te overwinnen".
„Wy gelooven u wel, Oom, (zeiden de Juffers,) maar die oude patriotten hadden ouderwetsche zinnen.
„Dat is de mode niet meer". Ook was ’er niet een die ’er een lepel vol van at.
Toen die spys afgenoomen was, wierd ’er niets opgedischt dan kalfs- en schaapennat.
Snyboonen, worst, graauwe erreten, gebraade kalfsborsten en harsten.
Sommigen peuzelden daar wat van: maar anderen schenen te vreezen dat ze ’er aan zouden barsten.
„Zie daar, (sprak de Oom,) zo hebben de Families malkander in volgende tyden geregaleerd:
„En toen zyn de Kooplieden in ons Land zelden achteruit geteerd.
„Zy zonden meerder schepen in zee dan nu; zy negoteerden met winst op alle kusten.
„Men bleef in staat om geheele vlooten uit te rusten.
„Wy wierden benyd en gevreesd, en om onzen handel by alle volken geacht".
„Dat gelooven wy wel, Oom; (sprak een van de nichten:) maar wy hadden een ander tractement verwacht".
Deeze spys mede afgenoomen zynde, zag men ’er faizanten, patryzen, en kostbaar wild verschynen,
Piramiden met banket en confituuren, Florentynsche, Rinsche en andere keurlyke Wynen.
Fluks geraakte men aan ’t eeten en drinken, onder geluid van een heerlyk muzyk.
Waarop de Heer Tractant zeide: „Al zyn wy nog zo mag tig en ryk,
„Door deezen weg worden veele Inwoonders van ons Land buiten staat om hun rekening te kunnen maaken;
„En zo kon ons Vaderland, hoe machtig het is, arm en geheel te gronde geraaken".
Zy bedankten den Oom wel voor zyn les; maar of zy die opgevolgd hebben, weet ik niet.

LICHTHART.

Dat sprookje heeft Groote Papa honderdmaal verteld: maar ik twyfel of het wel ooit zo is geschied.
Hy verhaalt ook wel dat de Burgermeesters, als ’er staatszaaken waaren te verhandelen,
Met knapzakken onder den arm, op holsblokken naar den Haag gingen wandelen.
En meer diergelyke historin, daar men hedendaags mee spot.
Zo ze gebeurd zyn, was het in de tyden van Maarten van Rossum, of Warenar met de pot.

RYMER.

Myn lieve Man! men heeft ook al overdadig geleefd in de oude dagen.
Dat ziet men in de Doelens wel, aan de oude Patriotten met hunne beffen en kraagen.
Hoe smaakelyk eeten en drinken ze! Hoe gloeijen hunne tronin van den rinschen wyn!

ERNST.

Dat was als ze de Schutters tracteerden: dat moest dan zo zyn.

RYMER.

Als men de oude kluchten leest van dien tyd, zyn ze niet zo schandaleus en vuil geschreeven,
Dat men ze nu niet zou speelen, zo ze aan den Schouwburg wierden gegeeven?

ERNST.

Ik geef maar te kennen dat men in ’t algemeen zuiniger heeft geleefd.
Zonden ’en gebreken waaren ’er al van ouds; ’t welk in ons verschil neemt noch geeft.
De Mans snooven ’er beter op uit, om wat te spaaren en te winnen.
De Vrouwen zaten met de meiden voor ’t huishouden een webbetje te spinnen.

ZOETJE.

Wel, dat is een exercitie, daar men schatten mee wint.
’t Is jammer dat men onder de Dames zo weinig liefhebbery daar in vind.

KWISTGOED.

Zoetje, willen wy die mode eens invoeren op de Amsterdamsche Saletten?
Men zou ’er, in plaats van speeltafeltjes, wel een vyfentwintig spinnenwielen kunnen zetten.

RYMER.

Als men altyd op de spaarzaamheid zou studeeren, myn lieve vriend.
Dan hadden de meeste konsten en ambachten immers uitgediend.
Banketbakkers, Koks, fransche Kramers, Zyde- en Lakenwinkeliers mogten wel opkraamen,
En vooral de Galanteriewinkels, als ’er geen Koopers kwamen.
Indien ’er geen prachtige huizen getimmerd wierden, hoe kwamen de Timmerlieden en Metzelaars aan de kost?
En zo veel Zaalemakers en Wagemaakers, als ’er niet wierd gereeden en gerost?

ERNST.

Dat Luiden van vermogen, die hunne inkomsten niet half kunnen verteeren,
Huizen en hofsteden bouwen, en in koetzen ryden, daar moet hen de heele waereld om eeren.
Dat zyn Luiden van de eerste classe: maar als Burgers dat na willen doen,
Dan moeten ze te gronde gaan, en ze verliezen al hun fatzoen.

TIENDE TOONEEL.

Het voorige Gezelschap; ZOETEKAAUW, JORIS.

ZOETEKAAUW.

Gelieven de Heeren en Juffers de fondamenten van de Suikertafel eens te beschouwen?

LICHTHART.

Heeren, hebt gy ’er lust toe, staat op: wy zullen ze eens bezien met onze vrouwen.

HENDRIK.

Broeder dat zyn dingen, daar wy ons zeer weinig op verstaan.
Ik zie daar Joris; laat ons met hem terwyl een straatje rond gaan.

Einde van het eerste Bedryf.


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001