Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

TWEEDE BEDRYF.

Het Tooneel verbeeld de voorige Kamer.

EERSTE TOONEEL.

LICHTHART, LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE, RYMER, zittende met een Gezelschap van Heeren en Juffrouwen aan verscheiden tafeltjes op de kaart te speelen; JORIS, MICHEL, en Meiden.

MICHEL.

Heeren en Jonfers, als stoe gedˇˇn hebt met zingen en troeven,
Dan kunt stoe vertrekken, want de koetzen en sledekens sont ’er al, om oe nˇ de Comedie te schoeven.
Zie zullen von Giesbertken van Amstel speelen: verzuimt dan geen’ tied.
Het loopt ’er zo vol, dat als stoe nig gˇˇt, dan rˇˇkt stoe de plˇˇtsen kwiet.

RYMER.

Staat dan op, Heeren: men dient dan niet langer te verbeiden.
Gelieft, als uw spel uit is, de Dames naar de Comedie te leiden.

LICHTHART.

Heeren en Dames, uw Dienaar. Gaat maar vooruit: wy zyn nog niet gereed.
Onze vrouwen zullen u volgen: ik kan niet mee gaan: ’t is my leed.

Het Geselschap neemt, na eenige complimenten, afscheid, waarna de Dames door de Heeren uitgeleid worden; en Kwistgoed, Zoetje en Michel naar binnen gaan.

TWEEDE TOONEEL.

LICHTHART, LOSBOL, JORIS.

LICHTHART.

Joris, gy moet eens een zakje schellingen verwisselen tegen halve ryders en dukaaten.

LOSBOL.

Voor my ook, Joris; gaa heen: we zullen ’er ons op verlaaten.

JORIS.

Mynheeren, die heb ik niet: het laatste geld gaf ik u deezen morgen vroeg.

LICHTHART.

Wy weeten wel beter, Joris: wy hebben immers geld genoeg.

JORIS.

Ik heb u in tyds gewaarschouwd dat de wissels manqueeren.
Ik moet alle rekeningen en assignatiŰn uitstellen, dat weeten de Heeren.

LOSBOL.

Dat weeten wy niet. Kyk ter degen, Joris, in de yzeren kist.

JORIS.

Dat is vergeefs, Heer Losbol: die hebt gy voorleden week al uitgevischt.
Het is te verwonderen waar ’t geld zo schielyk is gebleeven;
Ik heb de Heeren nog korts twee duizend guldens gegeeven.

LICHTHART.

Waar Neef Losbol het gelaaten heeft, dat weet ik niet.
Maar ik heb myn Wyf een deel geld gegeeven, eer dit traktement is geschied.
Gy moet denken, Joris, dat men dit met geen nootendoppen kan beginnen.

JORIS.

Ja, Mynheer, dat hebt gy niet gedaan met welberaaden zinnen.
Ik heb u genoeg gewaarschouwd dat ’er geen geld is by kas.
Gy moet het my niet verwyten.

LICHTHART.

                                                 Ik dacht dat ’er nog genoeg was.

JORIS.

Ik heb duidelyk gezegd dat ’er geen geld voor aanstaande week is te wachten.
Is ’t wel mogelyk! Vliegt u dat zo schielyk uit uw gedachten?

LICHTHART.

Loop dan aanstonds voor ons beiden naar den Kassier.

JORIS.

Die heeft immers al geld geweigerd, voor een dag drie vier.

LICHTHART.

Is de tyd van de betaaling der indigo, die wy afgeleverd hebben, niet verscheenen?

JORIS.

Over veertien dagen eerst.

LICHTHART.

                                           Dan moet gy de cacao zien te beleenen,
Die in ’t pakhuis staat; of de Koffi, opdat ik my van de penningen bedien’.

JORIS.

Ik kan van daag de Kooplieden niet spreeken: dat kan zo schielyk niet geschiŕn.

LICHTHART.

Daar komen onze Vrouwen: die zal ’t nog aan geen geld ontbreeken.

DERDE TOONEEL.

KWISTGOED, ZOETJE, LICHTHART, LOSBOL, JORIS.

KWISTGOED.

Zyt gy hier, Mannen? Wy hebben u noodzakelyk te spreeken.
Onze beurzen zyn leeg. ’t Is goed dat gy hier staat.

LICHTHART.

Hebt gy geen geld meer? wel dan ben ik desperaat.

ZOETJE.

Laat Joris geld bezorgen.

LOSBOL.

                                         Die weet het nergens te vinden.

KWISTGOED.

Wy moeten geld hebben. Wy zyn midden in ’t tracteeren van de Vrinden.

JORIS.

Ik weet wel raad.

LICHTHART.

                               Joris, daar spreekt een Engel uit uw’ mond
Wat hebt ge ’er op gevonden?

JORIS.

                                                Zend Michel en de Meiden in ’t rond
Naar den Schouwburg en de huizen; en laat maar zeggen
Dat men beide de Juffrouwen te bed heeft moeten leggen;
Dat ze een overval gekreegen hebben; en dat het bal is uitgesteld.

KWISTGOED.

Waar zou men dan met de spys heen? De Muzikanten komen evenwel om geld.
En dan zyn ’er meer anderen die men niet kan borgen.
Het gaa hoe ’t gaa, Joris, gy dient ons geld te bezorgen.

JORIS.

Ik bedenk daar wat!

LICHTHART.

                                Wel nu?

JORIS.

                                                 Dan moeten ’er uw horologies en gouden snuifdoozen aan.
Geef my die: ik zal ’er mee by eene inbrengster in de Bank van Leening gaan.

LICHTHART.

Maak dat niemand het merke. Ik zal myn horologie en snuifdoos geeven.

KWISTGOED.

Daar zyn de mynen ook. Maar Joris, zyt ge in die dingen wel bedreven?
Neef en Nichtje zullen ons ook wel helpen uit den nood?

ZOETJE.

Ja Nicht; de som waarom wy verlegen zyn is niet groot.
Wy hebben niet meer van nooden dan om ’er een kaartje mee te speelen.
Manlief, geef over. Daar zyn ze; maar Joris laat ze ’t u niet ontsteelen.

JORIS.

Hoeveel moet ik ’er op negotieeren?

LICHTHART.

                                                         Zoveel als gy kunt.
Maar gy moet ’er halve ryders of ducaaten voor neemen goed van munt.

daar word gescheld.

Daar word gescheld: maak de deur op: wy gaan te saamen naar binnen,
Wy laaten ’t op u berusten, Joris: maar doe uw zaaken met zinnen.

VIERDE TOONEEL.

ERNST, HENDRIK, SYBRAND, JORIS.

JORIS.

Zyt gy daar, Heeren? Ik ga om een boodschap, en ben in een half uur weer.

ERNST.

Zou men die boodschap niet mogen weeten?

JORIS.

                                                                       Dat weet ik niet, Mynheer.
Maar evenwel ik durf ze u wel in vryheid vertrouwen.
Ik heb alle de horologies en snuifdoozen van myn Patroons en Vrouwen.

ERNST.

Wat denkt gy daarmee te doen?

JORIS.

                                                   Beleenen.

ERNST.

                                                                    Goed. Wy hebben wel geld.
Wy willen ze wel beleenen, mits dat gy ons niet ten eersten meld.

HENDRIK.

Geef my de horologies en snuifdoozen over.

JORIS.

                                                                      Wat zoud ge ’er me bedryven?

HENDRIK.

Dat zult gy zien. Gy moet eens een quitantie van zeven honderd guldens schryven

JORIS, haalende inkt en papier uit zyn zak.

Ik begryp u wel, Heer Hendrik: maar gy maak my wat bang.
Zy zullen kwaad op my worden, als zy weeten dat ik ’t geld van u ontfang.

HENDRIK.

Zy zullen ’t van my-zelv’ ontfangen: daar is niet aan gelegen.
Wy hebben van den Kassier elk een goede goudbeurs gekregen.

JORIS.

Mynheer, gy neemt het goed in pand ter minne zonder intrest aan ?

HENDRIK.

Ja, Joris. Gy hebt ’er niet tegen, Broeder?

ERNST.

                                                                  All’ wat gy doet is wel gedaan.
Zy zyn niet in staat om ergens geld te krygen.

HENDRIK.

Ik zal honderd halve ryders geeven.... maar daar komen ze; laat ons zwygen.

VYFDE TOONEEL.

LICHTHART, LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE,
ERNST, HENDRIK, SYBRAND, JORIS.

ERNST.

Wanneer wilt gy voor ons solliciteeren, om te bezien
Of we in het Oudenmannenhuis kunnen komen?

LICHTHART.

                                                                               Overmorgen misschien.
Want deezen dag en morgen hebben wy het te druk met onze zaaken.

HENDRIK.

Als gy ’t maar bezorgt eer gy binnen de wafelyzers mogt raaken.

LICHTHART.

Praat gy mee, Oom, gelyk Papa? Daar is ’t vierkante gat.

HENDRIK.

Ik bedank u voor uw beleefdheid, maar ik blyf nog wat.

LICHTHART.

Gy hebt gelyk: Papa zou aan uw gezelschap te veel verliezen.
Maar zulke redeneeringen zou ik evenwel niet verkiezen.
Of Vader ons zulke drooge bokkens toeduwt, die zyn wy gewend.

HENDRIK.

Ja, de achting die gy voor uw’ Vader en my hebt, is ons bekend.
Broeder, gaa weer in dat hoekje zitten: gy zyt moe, en moet u wat verkwikken.
De zaak, die wy te verrichten hebben, kan ik wel alleen beschikken.

LICHTHART, tegen de Vrouwen.

Maakt u gereed om naar de Comedie te gaan, want het wordt laat.
Ik kan niet begrypen waarom Joris nog niet heenen gaat.

HENDRIK.

Neef Lichthart, ik merk dat gy beiden zeer om geld zyt verlegen?

LICHTHART.

Wel Paai, hoe vraagt gy dat zo? Zoekt ge ons den baard te veegen?

HENDRIK.

Wel Neefje Lichthart, ik vraag het omdat ik het weeten moet.

LICHTHART.

Indien dat zo was zoud gy ons niet helpen, want gy zyt een arme bloed.

ERNST.

Hebt gy geld noodig, zo spreek: myn Broeder heeft wel wat leeg leggen.

LICHTHART.

Zyn wy met gekken gebruid, Losbol? Hoort Paaijen, dat behoeven we u niet te zeggen.

HENDRIK.

Wilt ge eens snuiven, Jongens?

LICHTHART snuivende.

                                                  Hebt gy zulk-een doos? Die is fraai.
Zou het goud of pinchbek weezen? Hoe komt gy daaraan, Paai?

HENDRIK.

Bezie hem ter degen. Zoud gy dat horlogie ook niet kennen?

LICHTHART.

’t Is waarlyk myn eigen! De pikken moet Joris schennen!
Waarom hebt gy dat overgegeeven aan dien ouden Saggelaar?
Gy hebt ons verraaden. Schelm! Gy houd het met hem en myn Vaer.

HENDRIK.

Zacht wat! Zacht wat! ik heb het in pand ter minne ontfangen.
En omdat wy merken dat gy naar de penningen zult verlangen,
Zou ik gaarne weeten hoeveel gy benoodigd zyt, en wat specie gy begeert.

LICHTHART.

Ik geloof zeker, Paai, dat gy ’er de gek mee scheert;
Want dat gy geld zoud hebben, is ons in jaar en dag niet gebleeken.

HENDRIK.

Heb je honderd halve ryders van doen? die zyn in dat beursje: gy hebt maar te spreeken.
Zie daar, wilt gy ze zien?

LICHTHART.

                                        Hoe drommel kan ik dat verstaan?
Waar hebt gy dat beursje gerold, Oom? Hoe komt gy daaraan?

HENDRIK.

’t Is van een zekere schuld, die ik van daag onverwacht heb ingekregen.

KWISTGOED.

Wel Oometje lief, dat is een buitenkansje.

LOSBOL.

                                                                    Papa lief, ik ben zeer verlegen.
Als gy nog zulk een beursje had, dan waare ik buiten nood.
Gy overtuigt ons altemaal: uw goedheid is groot.
Als gy ’t hebt, zo geef het: ik ral ’t geld aanstaande week weer bezorgen.
Ik heb een’ harddraaver gekogt, dier. ik juist moet betaalen op morgen,
Want anders raak ik myn crediet by de Piqueurs en Liefhebbers kwyt.
Papa, het beestje kan vliegen, als men ’t maar naar de kunst beryd.
Daar zyn in de Dorpen al verscheiden zilveren zweepen mee gewonnen.
Ik heb ’t op een’ dronken avond gekogt voor twee honderd ducatonnen
Gaa eens met mij mee en bezie het op de stal.

HENDRIK.

Daar zou ik geen geld toe geeven, Losbol, al had ik het al.
Als ik in ’t Oudenmannenhuis om tabaksgeld verlegen was, zou ik het u moeten vraagen.
Ik zal wel wyzer zyn: dan breng ik maar een doos in de Lombert, die ik in myn zak niet behoef te draagen.

ERNST.

Is ’t niet genoeg dat Vader u uit den nood geholpen heeft?
Durft gy nog om meer geld vraagen? Dat is onbeleefd.
Al had de man nog teveel, ik zou hem dat niet raaden:
Maar hy is even als ik met weinig penningen belaaden.

LICHTHART.

Vader, legje meŕ een oortje in ’t zakje, en haalt ’er een schelling weer uit?

ERNST.

Daar ziet gy de dankbaarheid, Broeder: zy achten ’t maar voor buit.

LICHTHART.

Wat raakt het u, Papa? Gy hebt ’er niet een zier by te verliezen.

JORIS, tegen Hendrik.

Lees dit briefje eens, Mynheer: zoud gy ’t zo niet verkiezen?

HENDRIK.

Ja, dit moet gij tekenen, Lichtbart; dan weet’men by leeven of sterven hoe de zaaken staan.
Zie daar, Kinderen, nu zyt gy weer geholpen; neemt dit goudbeursje aan.

LOSBOL, terwyl Lichthart tekent.

Gy praat van de lombert, Papa; laat Joris de doozen daar naar toe brengen,
Dan kan ik myn’ harddraaver betaalen.

HENDRIK.

                                                             Dat zal ik niet gehengen.
Wat bruit my uw crediet by de Paardekoopers en Piqueurs?
Het waare beter dat ge uw crediet bewaard had by de Kooplieden op de beurs.

LOSBOL

Dan behield gij de horlogies nog.

HENDRIK.

                                                      Neen, gy zult niets onder u sleepen.

ERNST.

Myn Broeder zal wel wyzer zyn: hy heeft ondervinding van uw kneepen.

LICHTHART.

Gy zyt een slecht makelaar, Papa; Ik geloof het niet
Dat, als gy een oude schuld had ingekregen, deeze beleening waare geschied.

HENDRIK.

Gy hebt de goudbeurs, Kinderen: gy kunt het tellen en deelen.
Ik denk de panden zo wel te verzorgen dat niemand ze my kan ontsteelen.
Wy willen saamen binnen gaan.

ZESDE TOONEEL.

ERNST, met de hand onder ’t hoofd. SYBRAND.
SYBRAND.

Zoekt gy wat te sluimeren, Grootvader?

ERNST.

                                                               Ja, ik denk een uiltje te knappen.
Ik ben vermoeid: want ik heb met Oom Hendrik wat hard moeten stappen.

SYBRAND.

Gaa dan liever op uw kamertje.

ERNST.

                                                  Ik ben verwonnen van de vaak.

SYBRAND.

’t Is hier wat woelig.

ERNST.

                                   Ligt dat ik in slaap geraak.

 

Daar wordt gescheld en Sybrand doet open.

ZEVENDE TOONEEL.

 

RYKERT, LICHTHART; ERNST, slaapende.

RYKERT.

Is uw Vader t’huis, Sybrand? ik moet hem over de Wissel spreeken.

SYBRAND.

Ja, Patroon, ik zal hem roepen: maar hoe zal hy verbleeken
Van schrik, als hy u ziet! Ei, val hem niet te hard om mynent wil
Papa! Papa! daar is myn Patroon.

RYKERT.

                                                       Daar komt hy. Gaa heen en hou u stil.

AGTSTE TOONEEL.

RYKERT, LICHTHART; ERNST, slaapende.

LICHTHART.

Heer Rykert, uw dienaar. Vader slaapt; gelief niet hard te spreeken.

RYKERT.

Ik ben verwonderd, Heer Lichthart. Waarom blyft gy in gebreken
Om my de Wissel te voldoen, die ten uwen laste van non-betaaling is geprotesteerd,
En met de laatste post met contraprotest in myn handen is wedergekeerd?

LICHTHART.

Ik verwacht met de naaste post remisen; dan zal ik u prompt betaalen.

RYKERT.

Mynheer, uw crediet is op de beurs geheet en al aan ’t daalen.
Ik zou tegenwoordig myn geld moeten hebben tot een duit.

LICHTHART.

Dat is my onmogelyk.

RYKERT.

                                   Gy wilt immers niet dat ik besluit
Om my van ’t wisselrecht te bedienen? Ik wil myn kapitaal niet verminderen,
Want dat zou ik niet verintwoorden kunnen aan myn kinds kinderen.

LICHTHART.

Uw Kindskinderen! Gy hebt immers maar eene eenige Dochter, myn goede Patroon.

RYKERT.

Gy moet my aanstonds betaaIen: ik heb apprehensie op uw persoon
Uit kracht van ’t Wisselrecht; anders zoud gy ’t moeten gehengen
Dat als gy op straat kwaamt, ik u in ’t witte wambuis zou laaten brengen.

LICHTHART.

Beslaap u daar eens op: gy hebt immers te veel respect voor myn geslacht.

RYKERT.

Dat is waar; maar gy neemt uw resyect zelf niet in acht.
Uw Vader slaapt: ik heb den ouden man iets te zeggen.

LICHTHART.

Ik ga binnen. Heer Rykert, uw dienaar! Ik hoop dat gy de zaak nader zult overleggen.
Maak hem maar wakker.

NEGENDE TOONEEL.

RYKERT; ERNST, slapende. RYKERT, Ernst aanstootende.

                                         Neem niet kwalyk dat men u stoort.

ERNST.

Neen, Mynheer, ik slaap niet: ik heb alles gehoord.

RYKERT.

Joris heeft my een’ Wissel uit London gebragt, om te accepteeren.
Hy is goed, volgens advys; en ik zal hem honoreeren.
Daar is hy, Patroon; ik wist niet dat gy nog zoveel kapitaal bezat.

ERNST.

Heer Rykert, ik xou niet graag zien, gelyk gy-zelf wel bevat,
Dat myn Zoon met een affront raakte uit zyn zaaken.
De boel is in de war: maar wy weeten ’er wel reddering in te maaken.
Daar zyn eenige schreeuwschulden; en de ergste is uw Wisselbrief.
Zo wy met malkander konden rescontreeren, het waare my lief.

RYKERT.

Goed. Gaa dan mee naar myn huis. Uw wissel is grooter: gy kunt het surplus ontfangen.

ERNST.

Geef my uw wisselrecht over: want het is myn belangen
Myn’ Zoon in angst te houden. Hy moet niet weeten dat ik u heb betaald.
Maar laat ons naar uw huis gaan, zo word u de reden daarvan verder verhaald.
Ik zal openhartig met u gaan. Onze Sybrand aart niet naar zyn’ Vader.
Hy heeft my iets ontdekt wegens uw Dochter.... Maar wy spreeken malkaer wel nader.
Ik twijfel niet of gy zult in myn voorstel genoegen neemen, myn Vriend.

RYKERT.

Ja hy is een oprecht jongman: hy heeft my eerlyk en vlytig op myn comptoir bediend.

ERNST.

Kinderen! Kinderen! Ik ga met den Heer Rykert eens wandelen.

TIENDE TOONEEL.

LICHTHART, LOSBOL, ZOETJE, KWISTGOED, MICHEL.

ZOETJE.

Wat of die oude Praatvaŕrs met malkander hebben te verhandelen?

KWISTGOED, tegen Lichthart.

Wat had Rykert u te zeggen?

LICHTHART.

                                              Dat de Engelsche fondsen zyn gedaald,
Omdat ’er verscheiden kwaade tydingen uit Oost- en West-IndiŰn worden verhaald.

KWISTGOED.

Hebben wy daar belang in!

LICHTHART.

                                           Neen; maar verscheiden van myn goede Vrinden.

KWISTGOED.

Ja, de zeetydingen zyn meest zo los als de winden,
En zy worden dikwils uitgestrooid door de Actionisten en de Assuradeurs
.

LICHTHART.

Wy zulkn de zekerheid wel hooren uit de courant, of op de beurs.
Maar, Kind, geef my eens een bocaaltje: ik heb niet veel lust om te spreeken.
Ik beef een weinigje, en de spys begint me wat op te breeken.

KWISTGOED.

Zie daar, Mannetje-lief, daar is een volle bocaal.

LICHTHART.

Dat doet me goed, Hartje lief: zo kom ik weer wat op myn verhaal.
Daar word gescheld. Michel, doe eens open.

MICHEL.

Dˇˇr is dat olde wief mit ’et mandeken, om pastelien te verkˇˇpen.
Ze moet de Jonker sprekken: zie heft altied wat rˇˇrs te zien.

ELFDE TOONEEL.

DIEWERTJE, KWISTGOED, ZOETJE,
LICHTHART, LOSBOL, MICHEL.

DIEWERTJE.

Dat spyt me, Juffrouw, dat spyt me; gy zyt niet allien.
Zie daar; dat is een koopje uit een erfhuis: dat is nog van die oude lange lyzen.
Dat kannetje is honderd en vyftig jaar: als je ’t ziet zelje ’t pryzen.
Ik kom eerst by u, want ik ben wat verlegen om geld,
Omdat ik wat veel in de Keizerskroon heb gekogt. Ik heb den afslager tot overmorgen uitgesteld.
Ik hoop dat Juffrouw me morgen met wat geld zal geryven.

Tegen Lichthart ter zyde, terwyl Kwistgoed het porcelyn beziet.

„De Sleeper, die voor de deur staat, is myn Zoon; gy moet in huis blyven.
„Daar word op je gepast.

KWISTGOED.

                                        Diewertje, ik zal u morgen spreeken, gaa nu naar huis.
Neem uw porcelyn maar mee: het mogt hier breeken by abuis;
Want wy hebben hier tegenwoordig een gastmaal, en wat veel Vrinden.

DIEWERTJE.

„Mynheer, gy zyt gewaarschouwd: gy zult het zo bevinden.

TWAALFDE TOONEEL.

KWISTGOED, LICHTHART, ZOETJE, LOSBOL.

KWISTGOED.

Wel Man!

LICHTHART.

                 Wel Vrouw! hoe zucht gy zo? Hoe zyt gy zo bedroefd?

KWISTGOED.

Ik weet niet wat my schort: ’t is of myn hart word toegeschroefd.

LICHTHART.

Is het om de snuifdoozen en de horlogien?

KWISTGOED.

                                                                   Neen; die Zyn wel weerom te krygen.
Maar ’k merk dat u iets op ’t hart ligt, dat gy voor my zoekt te zwygen.

LICHTHART.

Michel! Michel!

DERTIENDE TOONEEL.

LICHTHART, KWISTGOED, LOSBOL, ZOETJE, MICHEL.

MICHEL.

                             Wat belieft stoe, Mynheer?

LICHTHART.

                                                                            Loop aanstonds naar den Chirurgyn.

KWISTGOED.

Rep u wat, Michel, gy moet dadelyk wederom zyn.

VEERTIENDE TOONEEL.

LICHTHART, KWISTGOED, LOSBOL, ZOETJE.

LOSBOL.

Wat:is ’er gaans? Zou men de zaak niet mogen weeten?
Ik heb wel gezien dat gy te middag zeer ongerust aan de tafel hebt gezeten:
Maar my dacht dat ge om Grootepapaas praatje zo was gestoord.

LICHTHART.

Het moet ’er dan eens uit, omdat het van niemand dan van myn Vrienden word gehoord!
Ik heb langen tyd een’ schrik gehad voor ’t nazien van myn boeken;
En nu heeft my Joris gewaarschuwd dat een ander ze zal onderzoeken.

LOSBOL.

In die vrees, Neefje, ben ik meer als vier jaaren geweest.
Het heeft me tot nog toe aan geen geld ontbroken, en daarom ben ik altyd vrolyk van geest.

LICHTHART.

Weet ge ook raad om my met vier duizend galdens te gerieven,
Die ik hebben moet tot betaaling van loopende wisselbrieven?

LOSBOL.

Ik zou Joris flus die commissie niet gegeeven hebben, was ’t zo slecht niet by my gesteld.
Hier in vryigheid gezegd, myn Kassier wil my niet meer gerieven met geld.
Hy heeft myn rekening gesloten, en daar word niets over gevonden.
Of ik al zeg dat ik wissels verwagt uit Parijs en Londen,
Het is vergeefs. Al bied ik een percent per maand voor zyn verschot,
Het is vergeefs gefluit, Neefje, zyn kas is in slot.

LICHTHART.

Myn zaaken staan wild. Ik heb wel remisen te verwachten,
Doch waar het aan hapert gaat buiten myn gedachten.

LOSBOL.

Doe als ik: beleen de koopmanschappen die in uw pakhuis staan.

LICHTHART.

Het geen gy me aanraad, heb ik ten deele al lang gedaan.

LOSBOL.

Dan moet gy zien of gy by d’een of d’andren Vriend geld Ó deposito kunt krygen.
Daar komt onze Vriend de PoŰet: laat ons van uwe zaaken zwygen.

VYFTIENDE TOONEEL.

LICHTHART, KWISTGOED, LOSBOL, ZOETJE, RYMER.

RYMER.

Ik heb de Vrienden naar de Comedie gebragt; maar ik ging heen; ik heb dat spel dikmaals gezien.
Daar maalt me een bruiloftsvaers in ’t hoofd, dat af moet binnen een dag of tien.
Het dient wat fraais te zyn, want ze zullen het laaten drukken.
t’ Is zulk een afgezaagde stof, dat het naar myn zin niet zal gelukken.
Ik kom hier een ombertje speelen, maar als ik iets bedenk, leg ik de kaart neer.

LOSBOL.

Gy zyt ons een getrouw boezemvriend: mag ik u iets vraagen, Mynheer?
Hebt ge ook by geval een vier, vyfduizend guldens, die gy niet weet te beleggen?
Wy willen wel eenige goederen beleenen.

RYMER.

                                                                   Neen, Vrienden; om de waarheid te zeggen,
Myn Vader vreesde dat ik arm zou worden, en daarom heeft die zorgvuldige man
Al myne goederen fide´commis gemaakt, en daar leef ik vrolyk van.
Het geen ’er verders jaarlyks overschiet, kan geen twee zakjes zesthalven bedraagen.
Maar ik wil myn’ Oom, die daar voogd over is, het wel eens vraagen.
Zo veel heb ik altyd voor myne Vrienden over: twyfel daar niet aan.

LICHTHART.

Zou je wel eens aanstonds by uw’ Oom wilen gaan?

RYMER.

Dat zou vergeefs zyn; hy is voorleden week met de paquetboot naar Engeland gevaaren.
En wanneer hy Wederkomt, heeft hy my vergeeten te verklaaren.
Ik ben tot uw dienst: maar hoe komt het dat gy dus neerslagtig ziet?
Is ’er in myn afzyn iets, dat u krenken kan, geschied?
Ik ben immers uw boezemvriend: gy kunt het my in vryheid verhaalen.

LICHTHART.

Ik moet van daag een’ wisselbrief...

LOSBOL.

                                                       En ik morgen een’ harddraaver betaalen.

RYMER.

Het spyt my dat gy zo in de naarheid zyt: ik wil u helpen uit den nood.
Zoud ge ’t met een zakje zesthalven kunnen doen?

LOSBOL.

                                                                                Neen; de som is’te groot.

LICHTHART.

Nooit heb ik in zulk een benaauwdheid geweest van al myn leven.
Het gezelschap is naar de Comedie; maar ik wenschte dat ze maar achter bleeven.
Heer Rymer, mag ik u in vertrouwen iets zeggen?

RYMER.

                                                                                Ja, zeg het maar.

LICHTHART.

Die wisselbrief van Rykert brengt.my in ’t uiterste gevaar.
En Joris zegt, men kan geen goed beleenen voor morgen;
Ik ben radeloos, en wil me met een sprong ontlasten van all’ myn zorgen.
Ik durf aan de deur niet koomen; want ik weet dat men op my past.

RYMER.

Dat doet my in myn hart zeer. Maak dan datje niet word verrast

LICHTHART.

Dewyl het gezelschap in lang uit de Comedie niet weer zal keeren,
Zou ik in vertrouwen wel een dienst van u begeeren.
Ei lieve, haal den Solliciteur Wargaren hier eens in stilligheid.

RYMER.

Dat zou ik gaarn doen: maar de man is gisteren, causa movens, achter af geleid.

LOSBOL

Waarom?

RYMER

                Een gevangen man word veeltyds bezwaard; en daar word dikwils onder geloogen.
Ze zeggen dat hy de crediteurs van een’ voornaam’ Koopman schandaleus heeft bedroogen.
Maar ik twyfel daaraan: hy staat by my te boek voor een eerlyk man,
En hy is zo verstandig dat hy de zaak wel goed maaken kan.

LICHTHART.

Hebje dan geen kennis aan een’ Advocaat, die een eerlyk man is?

RYMER

Ik ken ’er niet ÚÚn’.

LOSBOL

                              Ik wel: laat eens zien hoe zyn Van is.

Het schiet me niet in.

RYMER.

                                   Gy hoeft immers niet verlegen te weezen, Messieurs.
Het krielt van Advocaaten, Notarissen en Practisyns rondom de beurs.
De geheele Stad door vind men hunne naamen aan de deuren geschreeven.
Ik geloof dat die altemaal eerlyke lieden zyn, en in de practyk bedreeven.
Zy hebben crediet: zy bewoonen aaruienlyke huizen in het voornaamste van de Stad.
De een is ’t best op adviseeren, en de anderen op het pleiten gevat.
Daar zyn ook nog zo veel jonge Practisyntjes, die wyzer willen zyn dan ervaarene en bedaagde mannen,
Dat ik wel wenschte dat re op een Oorlogschip wierden gebannen,
Dan zouden ze tegen de Turken kunnen pleiten. Maar daar bedenk ik ’er een’, die overal is beroemd,
En in de wandeling Brandarius Nazo word genoemd.
Ze zeggen dat hy door en weerdoor eerlyk is: hy maakt niet veel gekakel,
Gelyk sommige Practizyns gewoon zyn: elk woord is een orakel.

LICHTHART.

Mynheer en Vriend, haal hem, als ’t u belieft, ten eersten hier.

RYMER.

Dst zal ik doen, Vrinden: ik ben altyd tot uw plaisier.
Ik gaa aanstonds heen, en denk niet lang weg te blyven.
Als my een vaars inschiet, zal ik het met een potloot in myn zakboekje schryven.
Vaarwel! ik zie den Heer Ernst.

ZESTIENDE TOONEEL.

ERNST, LICHTHART, LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE.

ERNST.

                                                Wel Kinderen! ik ben bedroefd en ontsteld.
Daar word op u gepast.

LICHTHART.

                                       Ei lieve! Wat voor een praatvaar heeft u dit gemeld?

ERNST.

Dat hoefje zo bits niet te vraagen, geldverkwistende Jongen!

LICHTHART.

Papa, gy hebt hier in huis zo veel praats niet bedongen.
Gy zyt maar een ootje in ’t cyfer: rook maar een pypje, en houje wat stil.
Daar is Oom Kwylbaard ook: wat of die weer hebben wil.

ZEVENTIENDE TOONEEL.

HENDRIK, ERNST, LICHTHART, LOSBOL,
KWISTGOED, ZOETJE, MICHEL.

HENDRIK.

Ik heb je vergeeten geluk te wenschen met de vermeerdering van uw jaaren.
Ik hoop dat gy voortaan niet verder achteruit zult vaaren.

LICHTHART.

Nu gy ons geholpen hebt, durft ge ons alles verwyten; niet waar, oude Tagryn?
Gy komt maar om twist te berokkenen, naar allen schyn.
Geduurig komt gy hier om myn’ ouden man zwaarmoedig te maaken.
Wat beduid het dat gy u telkens bemoeit met onze zaaken?
Of hebt ge nog meer halve Ryders om snuifdoozen te steeken in uw broek?

HENDRIK, tegen Ernst.

Men durft immers geen goed doen in de waereld.

LICHTHART.

                                    Ga naast Papa zitten kwylen in dien hoek.
Michel, geef ze een staartje wyn of twee, die te middag zyn overgebleeven.

MICHEL.

Die heb ik oetŰdronken: ik zol de mannekens wel een kommeke bry op dat tofelken geeven.

HENDRIK.

Daar zullen wy geen mond aanzetten: wy lusten die verschaalde staartjes niet.
Dat ik hier kom, is alleen uit noodzaakelykheid geschied.

LICHTHART.

Stop dan een pypje: gy kunt u aan dat tafeltje zetten.

MICHEL, met een kom bry.

Oldvˇˇders, dˇˇr is een lekker kommeke bry.

HENDRIK.

                                                                        Mof, die kan je zelf vretten.

Hendrik gooit Michel de bry over ’t lyf.

MICHEL.

I, woe no! wat potzen zien dat? ik bin er wˇˇrlyk van ontsteld.

Daar word gescheld.

LOSBOL

Papa heeft gelyk. Michel, doe de deur open, en zie wie daar schelt.

ACHTIENDE TOONEEL.

Een dronke SLEEPER, HENDRIK, ERNST, LICHTHART,
LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE, MICHEL.

SLEEPER.

Wel Heeren en Juffrouwen, versta je wel? ik wil niet langer in de kou staan blaauwbekken.
Myn paard word zo styf, dat het je niet naar de Comedie zal kunnen trekken.
Ik heb voor tydkorting al een borlesoesje of zes in de maag.

LICHTHART.

Wy gebruiken een koets: ook gaan we niet naar de Comedie van daag.

SLEEPER.

Wel, je zoud me evenwel voor myn wachten myn borrels moeten betaalen.

LICHTHART.

Daar zyn drie zesjes.

SLEEPER.

                                  Mynheer, om dat je een ouwe kennis bent zal ik je iets verhaalen.
Daar zitten twee dienders in myn slee te wachten naar jou
Die hebben order dat men je in het witte wambus brengen zou.
Daarom kom niet uit het huis: je zoud ze niet ontslippen.
Loop de achterdeur ook niet uit; want daar staan ’er ook twee om je te knippen.
Ik zal zeggen dat je niet thuis bent, en ryden naar stal.

LICHTHART.

Daar is nog een daalder voor je waarschouwen.

SLEEPER.

                                                                            Ik ben wat dronken by geval.
Maar zeg niet dat ik geklikt heb, want dan zou t’ er met my honden.

LICHTHART.

Michel, ik wil dat ’er altyd naar dien eerlyken Sleeper word gezonden.

NEGENTlENDE TOONEEL.

HENDRIK, ERNST, LICHTHART, LOSBOL,
KWISTGOED, ZOETJE, MICHEL.

ERNST.

Wel Lichthart, ik ben verwonderd. Staan uwe zaaken zo slecht?

LICHTHART.

Ze kunnen me niet uit myn huis haalen, Papa: ik sta op myn burgerrecht.

KWISTGOED.

Och! Myn lieve Man! ik ben zo bedroefd. Wat ongeluk hebben we te vreezen!
Ik twyfel niet of de zaak zal op de beurs al ruchtbaar weezen.
En nu krygen we ligt al de crediteuren te gelyk op het lyf.

LICHTHART.

Daar had je wel voor kunnen weezen, verkwistend en dartel Wyf.

KWISTGOED.

Had je my in tyds gewaarschouwd, ik had me graag willen modereeren.

LICHTHART.

Praatjes! gy hebt me geruineerd met uw kostelyk huisraad en prachtige kleeren.
Door uw saletten, visiten en contravisiten, by de rykste Dames van de Stad.
Puur of ik all’ de goud- en zilvermynen van Mexico en Peru in myn bezit had.

LOSBOL

Michel, zie waar de Chirurgyn blyft: myn nicht dient noodzaakelyk te worden gelaaten.

Michel binnen.

KWISTGOED.

Ik zou zo veel kunnen zeggen; maar ik ben te ontsteld om te praaten.
Als ik u all’ de fouten verwyten zou, die gy staande ons huwelyk hebt gedaan,
Daar waar’ geen end’ aan. Pleegt gy niet alle avonden met Losbol in de munt of in ’t heerenlogement te gaan?

LICHTHART.

Gy en nicht Zoetje zyn in staat een koningsgoed te verkwisten.

KWISTGOED.

Gy niet minder.

LICHTHART.

                       Wyf, maak myn bloed niet verder aan ’t gisten.

KWISTGOED.

Hoe dikwils kwam je ’s morgens dronken t’huis! Wie weet wat geld gy hebt verteerd,
Als je de geheele nacht had opgetrokken, gezoopen, en gekwinkeleerd?
Gy weet niet eens hoe uw zaaken staan; dat hebje alleen op Joris laaten aankoomen.

LICHTHART.

Wyf, als je niet zwygt, zal je van den duivel droomen.

HENDRIK.

Zacht wat, Kinderen! zacht wat, spreekt malkander met fatzoen.

LOSBOL

Hou jy ’er je buiten, Vader; je hebt ’er niet met al mee te doen.

LICHTHART.

Hoe veel zakjes geld heb je me niet wel afgetroond om onnoodige dingen te koopen?
Word ons huis niet alle dagen van drempelmeiden, naaisters, fransse kramers en smoussen afgeloopen?
Dan heb je uitdraagsters, dan porceleinwyven met allerlei kostelyk en vreemd goed.

KWISTGOED.

Durf jy geen honderd guldens besteden, als je een nieuwe pruik hebben moet?
Heb je niet een’ Atlas van drie duizend guldens gekogt, die je nog moet betaalen?
Heb je geen Telescopen, Microscopen, en een Camera obscura laaten haalen?

LOSBOL

Die heb ik ook: dat is een teeken dat we liefhebbers van kunsten en wetenschappen zyn.
Wy studeeren in de natuurkunde.

KWISTGOED.

                                                     Ja, in de natuurkunde van champagne en rinsse wyn.

LOSBOL

Wy zyn dikwils heele uuren bezig om te draaijen, en glazen te slypen.

KWISTGOED.

Ja, in den kelder van den Wynkoper, dat kan ik begrypen.
Of anders brui je maar aan de zwier, naar de hofsteŕ, en hier en daar.
Hoe veel oxhoofden wyn zuip je wel uit in een Jaar?

LICHTHART.

Je rekent de gantsche consumptie, denk ik, van ’t huishouden en ’t tracteeren van de Vrinden.
Als je daar nieuwsgierig na zyt, dan kan je ze in de Wynkopers reekeningen vinden.
Maar het zal niet half zo veel weezen, als gy met uw banket, confituuren en snoepery verteert.
Want gy houd geduurig salet, zo dikwils als jy ’t begeert.

HENDRIK.

Als de Kok en de Bottelier kyven, ziet men waar de spys en drank is gebleeven.
Hou eens op met dat verwyten: het zal te veel verwydering geeven.

ZOETJE.

Ei, Nicht, zwyg maar stil, gelyk ik doe; dan vergrypt gy u niet.

KWISTGOED.

Myn lieve Nicht! ik zal my zelf noch te kort doen van hartzeer en verdriet.
Ik heb vyftig duizend guldens ten huwelyk gehad, en dat is altemaal vervloogen.

LICHTHART.

En ik ook zo veel.

ERNST.

                             Als gy ’t wel aangelegd had, waart gy luiden van vermogen.

LICHTHART.

Ach, Papa! zwyg stil: want elk woord dat je spreekt, is een steek in myn hart.

ERNST.

Had je de historie gevolgd, die ik dikwils verhaald heb, dan was uw boedel zo niet verward.

HENDRIK.

Onze Zoetje schynt ’er geen erg in te hebben: zy doet niet als zwygen.

LOSBOL

Wy zouden ook wel kyven; maar wy kunnen ons capitaal daar door niet weerom krygen.

ZOETJE.

Ik zwyg wel; doch ik denk xhet te minder: ik hou zeer veel van myn’ man.
Ook heb ik zelf zo veel schuld, dat ik hem niets verwyten wil nog kan.

LOSBOL

Schrei niet, myn lieve Zoetje! alles. zal wel ten beste koomen,
Zo dra wy den raad van den Practisyn hebben ingenoomen.
Dat volk weet alles, hoe verward, te ontwerren op een hair.
Ei, Lichthart en Kwistgoed, zwygt, en kyft niet weer met malkaar.

TWINTIGSTE TOONEEL.

MICHEL, DOKTER, APOTHEKER, CHIRURGYN, HENDRIK,
ERNST, LICHTHART, LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE.

MICHEL.

Door is de Dokter, de Barbier en de Apenteker.

LOSBOL

                                                                                              Wat is uw begeeren?

DOKTER.

Waar zyn de patienten die men hier moet aderlaaten en visiteeren?

LOSBOL, tegen Michel.

Wat doet hier zo veel volk? wy wachten niemand dan den Barbier.

MICHEL.

Om dat stoe oltemˇˇl gelaaten en geklisteerd moet worden, breng ik ze hier.

LOSBOL

Zwyg, lompe Gek. Dokter, gy zyt door ons niet ontbooden.
Dat heeft de mof uit zichzelven gedaan: wy hebben de Chirurgyn maar van nooden.

DOKTER.

Neem dan niet kwalyk dat men ’t als een visite op de rekening stelt.

Hy ziet een bokaal wyn, die hy aanvat en uitdrinkt.

Ik zal die schildwagt eens aflossen. Salus PatriŠ, Vrinden! daar word gescheld.

De Apotheker en Michel binnen.

EEN-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

BRANDARIUS, RYMER, DOKTER, CHIRURGYN,
HENDRIK, ERNST, LICHTHART, LOSBOL,
KWISTGOED, ZOETJE, JORIS.

DOKTER.

Uw Dienaar, Brandarius! denk je t’avond in Maltha te weezen?

BRANDARIUS.

Ja, Mynheer; daar zal comparitie zyn: ik heb daar eenige crediteurs iets voor te leezen.

DOKTER.

Ik moet ’er ook koomen. Salve Procurator diverteer u hier wat.
Je zult hier goeden wyn aantreffen’. ik heb ’er een klein proefje van gehad.

 

De Docter binnen.

BRANDARIUS.

Die lust ik veel liever als uw beste poeijers en pillen.

KWISTGOED, tegen Zoetje.

Laat ons met den Chirurgyn binnen gaan; de Mans zullen met malkaar alleen spreeken willen.

TWEE-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

BRANDARIUS, RYMER, ERNST, HENDRIK, LICHTHART, LOSBOL, JORIS.

LICHTHART.

Welken wyn verkiest gy, Heer Procureur?

BRANDARIUS.

                                                                  Een roemertje rinsche wyn, Mynheer.

LICHTHART.

Zie daar: proef dien eens.

BRANDARIUS.

                                       Uw gezondheid, Heeren: die wyn is zacht en delicaat: ik wil strak wel eens weer.
Maar zeg my, wie van de Heeren heeft my op deze plaats ontboden?

LICHTHART.

Mynheer, wy hebben uw advis in een gewichtkge zaak van nooden.
Adviseer hier gerust. Een myner goede Vrinden verzoekt u om raad,
Hoe men best zyn’ boedel zal redden: want hy is buiten staat
Om het zelf te doen. Zyn zaaken zyn wat in de war gelopen.

BRANDARIUS.

Een boedel kan zo verward niet zyn, of hy is wel te ontknoopen.
Geef my zyn’ staat eens op: wat bezit hy nog aan reŰel capitaal?
Ik dien zyn debet en credit te weten tot ÚÚn duit toe, altemaal.
Heeft hy balanssen gemaak, daar men zich op zou durven betrouwen?

LICHTHART.

Myn Boekhouder heeft sedert eenige jaaren ook zyn boek gehouwen.
Joris, uw Heer en Meester heeft my nadrukkelyk gezegd
Dat het zyn wil is dat gy den Procureur grondig onderregt;
En dat kunt gy doen, Joris; want gy weet en kent al zyn dingen.

JORIS.

Procurator Brandarius Nazo, als hy niet gered word, zal hy moeten springen.
Daar loopt een Wissel tot zyn’ last, die aanstonds betaald moet worden, Mynheer.
Het schort hem aan contanten.

BRANDARIUS.

                                                Het is niet noodig dat ik daar op adviseer.
Dan moet hy geld negotieeren.

JORIS.

                                                Wel dat kan hy niet krygen.
Men kan immers geen Wisselbrieven betaalen met paardenvygen.

BRANDARIUS.

Hoe veel heeft hy van nooden? Als hy twee suffisante borgen heeft,
Heb ik wel een Vrind, die het voor twee per cent in een maand geeft.
Als ik zyn’ boedel zal redden, moet ik zyn’ staat onderzoeken; dat moet hy dulden.

JORIS.

Daar zyn omtrent honderd twintig duizend guldens aan effecten, en honderd duizend aan schulden.
Zo dat ’er twintig duizend guldens over kan schieten, als alles gereddert word, naar ik gis:
Mits dat men den inboedel, porcelein, zilver, goud, juweelen en all’ wat ’er is,
Mitsgaders de koopmanschappen en effecten moet verkoopen.
Daar zyn veel horens en schelpen onder, die tot hooge pryzen kunnen loopen.

BRANDARIUS.

Hy moet my zyn boeken aan huis zenden, en houden zich wat om een hoek;
Want ik heb eenigen tyd noodig dat ik zyn reekeningen onderzoek.

JORIS.

Dat behoeft niet: ik heb ze wel onderzocht; daar kan men niet in dwaalen.

BRANDARIUS.

Ja, maar uit de eene post is wat meer, en uit de andere wat minder voordeel te haalen.
Dat verschilt somtyds de helft: sommige dingen kan men verduisteren en anderen niet.
Men dient ten minste te maaken dat ’er tagchentig per cent overschiet.
En als dat gelukt, zal hy zich meesterlyk voor alle gevolgen kunnen dekken.

JORIS.

Dan zouden de crediteuren ten minste veertig per cent van hun capitaal trekken.

BRANDARIUS.

Neen, ik wilde hebben dat ’er heimelyk zo veel voor den Faliet wierd gespaard.
Anders was het de pyne niet waardig dat hy zich bankroet had verklaard.

JORIS.

Dat is veel te veel: ik zou het gantsch anders verkiezen;
En als ik crediteur was, zou ik niet graag zo veel op ÚÚn reis willen verliezen.

BRANDARIUS.

Wel, posito, gy waart een Faliet, zou je dan zo veel uit den boedel niet haalen als je kon?

JORIS.

Wat ik doen zou, weet ik niet; maar ik weet wel als ik dat begon
Dat ik geen geruste conscientie zou hebben van al myn leven.

BRANDARIUS.

Wel hoe veel zyn ’er wel die nog minder dan tien per cent hebben gegeeven?
Dan dicteert uw conscientie gantsch anders.

ERNST.

Ja, gantsch anders dan die van een’ Practisyn en een’ Faliet.
Wil jy een conscientie by een’ Practisyn zoeken? die hebben ze niet.
Die moeten ze niet hebben; want dari zouden ze hun Meesters niet kunnen bevoordeelen.

BRANDARIUS.

Neen, zacht wat, oude Heer! zo moet gy niet oordeelen.
Onze conscientie bestaat daar in, en die volgen wy altyd,
Dat wy onze Meesters zoeken ryk te maaken, door list en door vlyt.
Als een Practisyn dat niet doet, dan doet hy zonden.
Hy is immers aan zyn’ Meester, en niet aan de Crediteuren verbonden.
De conscientie van een’ ander betreft ons niet met al.
Elk zorgt in de waereld voor zichzelven: dat bevind men overal.
Maar dat overgeslagen. Is uw Meester getrouwd?

JORIS.

               Ja.

BRANDARIUS.

                     Zou ’er dan geen huwelykse voorwaarde weezen?

JORIS.

Dat weet ik niet: want die hebben ze me nooit voorgeleezen.

BRANDARIUS.

Dit moet ik weeten: want dat maakt in de directie een groot onderscheid.

LICHTHART.

Neen, Mynheer, daar is geen huwelykse voorwaarde; dit heeft myn vriend my gezeid.

BRANDARIUS.

Daar zyn wel huwelykse voorwaarden pro forma gebruikt, en die dingen
Verstrekken dan tot bullebakken, om de crediteurs tot het teekenen van een accoord te dwingen.

ERNST.

Gaat dat dan ook volgens de conscientie van een’ Practisyn van eer?

BRANDARIUS.

Men onderzoelrt het niet naauw, men stelt dat op de conscientie van den Faliet, Mynheer.

ERNST.

Als ik Crediteur was, men zou my evenwel zo niet doeken.
Ik zou het Origineel willen zien, en of het echt was naauwkeurig onderzoeken.

JORIS.

Als ik zodanigen boedel als deeze is, moest reddea, zou ik volgens myn gemoed,
De Crediteuren ten vollen betaalen, na de verkooping van het goed.

BRANDARIUS.

Dat voorstel is eerlyt, zo uw vriend daar toe is genegen.
Op deeze wyz’ wil ik hem ook wel bedienen: laat hy het eens overweegen:
Al is het nu geen costume meer, ik geef u gelyk.
Maar volgens uw raad maakt gy uw’ Meester arm, en de myne maakt hem ryk.
Eerlyk of oneerlyk te zyn, scheelt hem mogelyk tachentig duizend gulden.
En komt ’er van zyn’ boedel minder dan gy denkt, dan blyft hy belaaden met schulden.

JORIS.

Daar heb ik geen zorg voor; in het alderminste niet.
Ik heb myn rekening ruim genoomen: mogelyk dat ’er veel meer overschiet.
De boedel is in de war: daar zyn geen contanten om de negotie voort te zetten;
En ten anderen zyn’ er Crediteuren onder, die ’t bankroet kunnen beletten.

BRANDARIUS.

Een accoordje, Mynheer; een accoordje: dat is de beste raad.

LICHTHART.

’t Is waar: ik zal myn’ vrind kennis geeven hoe dat men ’er mee staat.

BRANDARIUS.

Het geld voor de Wissel kan hy morgen voor twee per cent in de maand krygen,
Op conditie als gezegd is.

LICHTHART.

                                         Neen; daar zal ik liever van zwygen.
Het is woeker, Mynheer: denk het is vier-en-twintig per cent in ’t Jaar.
Hy zal dan liever wat koopmanschappen beleenen om zich te redden uit het gevaar.
De intrest is ook zo hoog dat hy ’t zich zou moeten schaamen voor zyne Borgen:
En zo zy suffisant waaren, zouden ze hem het geld liever zelf bezorgen.

BRANDARIUS.

Het is myn zaak gantsch niet: het raakt alleen myn’ vriend.
Het duurt dikwils maar een maand dat men ’er zich in verlegenheid van bedient.
Wat besluiten de Heeren dan?

JORIS.

                                                Zy zullen ’er zich niet lang over bedenken,
En u bescheid laaten weeten.

LICHTHART.

                                               Gy moet tot afscheid den Procureur een frisschen roemer schenken.

BRANDARIUS.

Ik heb niets te verzuimen.

LOSBOL.

                                           Neem het niet kwalyk: wy wachten belet.

BRANDARIUS.

Tot weerziens dan, Mynheeren: ik ben op den wyn ook niet gezet.

DRIE-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

RYMER, ERNST, HENDRIK, LICHTHART, LOSBOL, JORIS.

RYMER.

Die man heeft een conscientie, daar men wel een kerk op zou bouwen.
Ik zou hem omtrent zo veel als den Solliciteur Wargaren durven vertrouwen.
Lichthart, ik heb onderweg een vaarsje bedacht, ’t welk daar net op slaat.
Luister eens: ik geloof dat het u behaagen zal in uw’ tegenwoordigen staat.

      Zo gy zucht hebt voor uw beurs,
      Moet gy nimmer lichte Vrouwen,
      Of schynheilig volk vertrouwen,
      Maar voor all’ geen Procureurs.

LICHTHART.

Ik geloof dat ’er evenwel goede Procureurs zyn, die niemand zullen doeken.

RYMER.

Voorzeker, die zyn ’er wel te vinden, maar men moet ’er zeer naauwkeurig naar zoeken.

LOSBOL.

Al genoeg hier van. Laat ons eens gaan zien of de Vrouwtjes zich hebben doen laaten van den Chirurgyn.
En dan zullen wy verders het gezelschap inwagten onder het drinken van een glaasje wyn.

 

Rymer, Lichthart en Losbol binnen.

ERNST.

Wy zullen volgen. Joris, ontdek nu dadelyk de gelukkige tyding die wy uit Engeland hebben gekregen.
Zo zy te redden zyn, zullen wy het doen door eerlyker wegen.

 

Einde van het Tweede Bedryf.


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001