Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

DERDE BEDRYF

EERSTE TOONEEL.

LICHTHART, JORIS.

LICHTHART.

Zou de Schouwburg nog niet uit zyn, Joris? Het is al meer als agt uuren.
De Klucht, die 'er gespeeld word, is kort, zodat het niet lang kan duuren,
Of het gezelschap zal verschynen.

JORIS.

                                                        Hoe, Mynheer! denkt gy 'er niet om
Dat het afgesproken is dat ze altemaal zullen speelen voor mom?
Zy zullen verschynen, is 't gezegd, in masquerade kleeren:
En daarom zullen zy met de koetzen eerst naar huis ryden, en vermomd hier wederkeeren.

LICHTHART.

Dat hebt gy gedroomd, Joris: want daar weet ik niet van.
Of Kwistgoed moest het zo beschikt hebben, dat wel weezen kan.
Wy hebben dat te Berlyn gezien; en 't stond heel vreemd en aardig.
Het was verrukkelyk, briljant en verwonderingswaardig,
Nu begryp ik dat ze wel een uur zullen wegblyven, gaar allen schyn.
Maar Joris, zeg eens oprecht: zou het wel de waarheid zyn
Dat onze oude Lui geld getrokken hebben uit de lotery van Londen?
Ik heb 'er iets van gehoord.

JORIS.

Ja, zy hebben my zelfs, om de wissels te haten accepteeren, overal gezonden.

LICHTHART.

Is het nog al wat van importantie, Joris?

JORIS.

                                                                    Ja; gy moogt het wel weeten, Mynheer;
Want dat is my belast: maar zegt het aan een' ander nog niet wer.
Het bedraagt aan hollands geld over de honderd en vyftig duizend gulden.

LICHTHART.

Ik spring op van vreugd; dan raaken wy uit alle onze schulden.

JORIS.

Dat ze u redden zullen met hun geld, daar twyffel ik niet aan.

LICHTHART.

Dat is een tyding daar wel een traktement, als dit, op mag staan.
Losbol! Kwistgoed! Zoetje! beliefje eens hier te komen?

TWEEDE TOONEEL.

KWISTGOED en ZOETJE, in Amazoons gewaad,
LOSBOL, als een Scaramoes gekleed, LICHTHART, JORIS.

KWISTGOED.

Wat is 'er te doen?

LICHTHART.

                              Ik heb daar van onzen Joris een heerlyke tyding vernomen.
Honderd en vyftig duizend gulden hebben onze ouwe Lui getrokken uit de lotery.

LOSBOL.

Wel Joris! Wel Joris! is 't mogelyk? Vertelje 't ook uit schelmery?
Waar zouden zy 't geld gekreegen hebben om in te leggen?

JORIS.

Ik heb wel geweeten dat zy nog een stuivertje hadden, dat ze u niet hebben willen zeggen.

LOSBOL.

Ik wensch u geluk, Lichthart.

LICHTHART.

                                                En ik u ook, Losbol. Dat komt onverwacht.
Nu zullen wy van harten vrolyk kunnen weezen deezen nacht.
Hebben ze al wat gereed geld ontfangen, Joris, dat wy ten eersten zouden kunnen gebruiken?

JORIS.

Vyftig duizend gulden aan wissels: maar ik vrees dat gy er niet aan zult ruiken.

KWISTGOED.

Vrees je dat? ik vrees het niet.

JORIS.

                                                    En waarom dat, Juffrouw?

KWISTGOED.

Wel omdat het de grootste onredelykheid van de waereld weezen zou
Dat zy hunne eigen kinderen niet in den nood zouden byspringen.
Zy zyn immers grondig onderricht hoe het staat met onze dingen.

JORIS.

Ik kan daar niets van zeggen: zy zullen 't schikken naar hunn' zin.
Maar Boedels te redden als deezen heeft al veel in.

ZOETJE.

Ik wenschte dat zy hier kwamen, ik begin al naar de ouwe Lui te verlangen.

JORIS.

Zy zyn naar den Kassier, om elk twee honderd gouden ryders te ontfangen.

KWISTGOED.

Die zullen ze ons mogelyk uit blydschap prezent doen.

JORIS.

                                                                                        Neen dat is mis.
Omdat ik weet dat de ontfangst van dit goud om een andere reden is.
Ook zullen zy den spyt die gy hen aangedaan hebt zo ligt niet kunnen vergeeten:
Gy hebt hen versmaad; naar 't Oudenmannenhuis willen zenden; en altijd achteraf laaten eeten:
Dat rekenen zy voor een groot affront; en zy hebben gelyk.
Ik twyffel 'er aan of gy 'er wel iets van trekken zult, al waren ze nog eens zo ryk.

LOSBOL.

Daar ben ik niet om bekommerd: de ouwe Lui zyn goed: zy zullen ons niet verlaaten.
Maar, Joris, zoud ge ondertusschen van den Kassier geen dertig veertig ducaaten
Op vaders rekening voor ons kunnen leenen: hy zal u dat niet weigeren; en wy moeten deezen nacht
Wat speeldgeld hebben.

JORIS.

                                      Maar, Mynheer, dat heeft de Kassier immers niet in zyn magt.
Ik bid u, verg my geen onredelyke dingen: ik wil 't geen gy begeert aan de ouwe Lui wel vrdraagen....

 

Hier word gescheld.

Maar mooglyk zyn zy daar zelfs: nu kunt ge 't aanstonds vraagen.

LOSBOL.

Michel! Michel! doe eens open.

DERDE TOONEEL.

ERNST, HENDRIK, LOSBOL, als een Scaramoes gekleed,
KWISTGOED en ZOETJE, in Amasoons gewaad, LICHTHART, JORIS.

 

Zodra Ernst en Hendrik binnen treeden, maaken Losbol, Lichthart,
Kwistgoed en Zoetje hen herhaalde Complimenten om hen te ontfangen.

LOSBOL.

Uw onderdanigste Dienaar, Vader en Oom: wat zyn wy verheugd....

KWISTGOED.

Welkom, Papaatje! geluk met....

LICHTHART.

                                                  Papa-lief, we hebben met onuitspreekelyke vreugd...

ZOETJE.

We feliciteeren je met de blyde tyding....

KWISTGOED.

                                                                 Belief-je niet te gaan zitten? Michel! geef eens stoelen.

LOSBOL.

Zal Papa of Oom ook iets gebruiken?

LICHTHART.

                                           Een glaasje Caapse wyn?

ZOETJE.

                                                                                    Een colombyntje?

ERNST.

                                                                                                                Wat wil toch al dit woelen?
't Lykt hier wel kermis: zyn dit kwanten uit de Troep van Magito?
Wy zyn niet gewoon zo ceremonieel ontfangen te worden: hoe komt dat zo?

LICHTHART.

Papa, we moeten u onze blydschap betuigen wegens uw geluk:
Neef Losbol en de Vrouwen hadden reeds hun danskleeren aan, toen 't ons kwam ter ooren.
Nu verlangden wy naar uwe t'huiskomst om onzen pligt by u af te leggen naar behooren.

ERNST.

Daar zullen wy strak van spreeken: gy zyt nu tot danssen gereed.
Dat gaat voor: maar zyt gy niet bang voor de Dienders?

LICHTHART.

                                                                                       Och ja! zo bang dat ik 'er van zweet
Wanneer ik 'er maar aan denk.

ERNST.

                                               Daar zitten 'er twee op den stoep: pas op niet buiten de deur te komen.

LICHTHART.

Ik zal 'er wel voor zorgen. Maar, Papa, als gy my redden wilt heb ik niets meer te schroomen.
Ei, zend Joris naar Rykert, en laat hem zeggen dat gy hem morgen betaalen zult.

ERNST.

Zouden wy uw' Wissel betaalen! gantsch niet: voldoe uw' eigen schuld.

LICHTHART.

Wel, Papa, je bent immers nu ryk genoeg: hoe ken je zo wonderlyk weezen?
Gy zult ons nu niet verlaaten: gy hebt ons wel meer geholpen voordeezen.

ERNST.

Daar heb ik berouw genoeg van gehad: daar heb je me slecht genoeg voor beloond.

LICHTHART.

Ei, help me nog eens uit den nood: ik bid u dat gy my die gunst betoont.

LOSBOL, tegen Hendrik.

Papaatje, betaal morgen myn' Harddraver maar, dan zult gy my verblyen.

HENDRIK.

In hoe korten tyd zou je daar wel mee naar Vianen kunnen ryen?

LOSBOL.

Dat weet ik niet, Papa.

HENDRIK.

                                     Wel, propeer het eens met het opengaan van de poort.
Eer je in arrest raakt.

LOSBOL.

Wel, Papa, hoe ben je zo verstoord?

Gedurende het gesprek worden de piramides met banket en confituuren
door de banketbakkers knegts en anderen over het Tooneel gedragen
en op een tafel, die in een' hoek staat, gezet.

ERNST.

Men kan hier in vryheid niet spreeken. Hoe zwerven hier zoveel hanssen?

KWISTGOED.

Zy kunnen ons niet verstaan, Papa: 't zyn meest Moffen en Franschen

ERNST.

Wel daar zyn' er mee wel onder die ons zouden kunnen verstaan.

KWISTGOED.

Geen nood: zy hebben het te druk om de tafel te schikken en heen en weer te gaan.

ERNST.

Nu, Kinderen, gy hebt het thans zo volhandig dat we u niet langer tot overlast willen strekken:
Wy bedanken u voor alle blyken van tederheid, en zyn geresolveerd uit dit huis te vertrekken.
Wy kunnen nu ordentelyk leeven van onze inkomsten; en daardoor zyt gy van de zorg bevryd
Om ons in 't Oudenmannenhuis te plaatsen: vaartwel! leeft altoos even vrolyk en verblyd.

LICHTHART.

Hoe, Papa! zoud ge ons nu verlaaten, en ons ten prooy stellen aan onze Crediteuren?
Dat zou te ongevoelig weezen: ik vlei my dat zulks niet zal gebeuren.
'k Beken dat we u en Oom juist altoos niet naar behooren hebben gehandeld, tot uw smart:
Maar gy moet het meer toeschryven aan onze zorgelooze levenswyze en aart, dan aan de kwaade gevoelens van ons hart.
Wy zien thans dat dit van geen duur kan weezen, en dat, zo we uwe hulp ontbeeren,
Onze zaaken niet gered kunnen worden: dierhalven moeten we ons tot uwe goedheid keeren.

LOSBOL.

Wel, Papa, zult gy me ook in verlegenheid laaten, daar gy nu zo rykelyk van geld zyt voorzien?
Dat kan ik niet denken: gy zult al 't vorige wel vergeeten, en ons fatzoen bewaaren.

HENDRIK.

                    Gy allen hebt het 'er weinig naar gemaakt: wy zouden misschien
Wei meedoogen met u hebben, zo wy niet vreesden dat gy met uw vorige manieren van leven
Zoud voortvaaren, zo ras we u weer een ruime Kas hadden gegeeven.
Zodat wy denken dat het beter is dat we ons geld op lyfrenten zetten, dan kunnen wy rykelyk bestaan,
En u zelfs wat mededeelen, wanneer ge alles zult verteerd hebben, 't geen niet lang zal duuren...

LOSBOL.

                    Och! Vader, wie heeft u dat geran?
Uw geld op lyfrenten zetten! zoud gy dus uw Capitaal vermindren?
Gy kunt schielyk sterven: en wat zou dat een schade weezen voor uw Kindren!

HENDRIK.

't Kon zyn dat ik veranderde van besluit: my ligt iets op 't hart; misschien zal ik nog wel eens trouwen.

ZOETJE.

Wy hoopen, Papa, dat ge u van zulke gedachten zult onthouwen.
Gy zyt immers reeds te oud: hoe komt u dat in den zin?

HENDRIK.

Te oud! I wel ik ben nog maar vyf-en-zestig jaar, wat meer of min.
Och! het is zulk een zoet lief Meisje. Zy speelt my gestadig in de gedachten.
Ze is nog geen twintig jaar oud: wat heb ik nog zoete kinderen van haar te verwachten!

ZOETJE.

Wel, noem het Juffertje eens.

HENDRIK.

                                              Annaatje, de Schoenmaakers dochter, is je die bekend?

LOSBOL.

Vader, als je dat begint verklaaren we jou voor innocent.

HENDRIK.

Wel, een Vader zou niet mogen trouwen of hy zou het zyn' Zoon moeten vraagen!
Het is noodzakelyk voor my; want dan word ik nog gediend in myn oude dagen.

ZOETJE.

Allerliefste Papaatje, we zullen je dienen zo lang als je leeft.

HENDRIK.

Ja, daar heb ik de proef van gehad.

ZOETJE.

                                                       Ik bid je dat je 't ons vergeeft.

KWISTGOED.

Nu, Papa, wat is uw voorneemen? hoe zult gy met ons handelen?

ERNST.

                                                                                            Ik meen myn geld te bewaaren,
Sober te leven, en in myn testament uw kinderen tot myn Erfgenaamen te verklaaren.

KWISTGOED.

En zouden wy van 't Capitaal niemendal hebben, dat is zeker te hard.

ERNST.

Dan zou je weer je ouwe gang gaan, en dan raakte de bol nog mer verward.
Gy zyt nog in staat om verscheiden kinderen te verwekken;
En na myn dood kunt gy de vruchten van myn nalatenschap trekken.
Zyn ze sober, behelpje dan met een potje pap op je schoot.

KWISTGOED.

Neen, Papa, je zult zo onbarmhartig niet weezen: je goedheid is te groot.

ERNST.

Is 't waar, smeerschoen?

LICHTHART.

                 Als je niet gezind zyt om ons te helpen zal ik Brandarius myn zaaken in handen moeten geeven:
Die zal 'er wel zoveel uithaalen dat wy 'er buiten de Stad van kunnen leeven.

ERNST.

Daar zullen we vr weezen. Slaa uw handen aan geen goed.
Wy zyn je Crediteurs, die wel weeten hoe men dat behandelen moet.

JORIS.

Mynheeren, dewyl gy nu in staat zyt om 't fatsoen van uwe Kinderen te bewaaren,
Dunkt my dat het best waare hen te helpen, en al 't voorledene gunstig uit uw gedachten te laaten vaaren.

ERNST.

Wel nu, Joris, zo wy daartoe overgingen, wat zou 'er dan gedaan moeten worden: 'k verzoek dat gy 't zegt.

JORIS.

De Heeren dienden de boedels over te neemen, en als men't dan wel overlegt,
Zal 'er nog wel een zoet kapitaaltje overschieten, schoon de zaaken zeer zyn verloopen.
Voor eerst zal men in de Keizerskroon alle de overtollige kostelyke meubelen moeten verkoopen,
En ook de boeken en liefhebbery, die de Heeren by malkanderen hebben vergaerd.
Ik heb 'er aantekening van gehov.den: zy zyn duizenden waard.
Van de porcelynkassen heb ik geen kennis, want die hebben de Juffrouwen van tyd tot tyd gevuld: daar is mee al wat voor uitgegeeven.
En 't voornaamste zal dan nog weezen, in 't vervolg een andere manier van leven.

LOSBOL.

Dat willen we gaerne beloouen, worden we nu maar gered.

HENDRIK.

Broeder, zeg maar 't geen wy hebben gerezolveerd. De tyd verloopt maar.

ERNST.

                                      Welaan, Kinderen, zyt gy te vreden met het geen Joris heeft geproponeerd?
Wilt ge ons alles overgeeven, tot reddering van uw zaaken?
Dan zullen we voor u zorgen en onze verdere meening u bekend maaken.

KWISTGOED.

Zou ik myn porcelyn niet behouden?

ERNST.

                                                           Dat weet ik niet.
Wy zullen eerst alles taxeeren, en zien wat 'er overschiet.

LICHTHART.

Wat dunkt u, Losbol?

LOSBOL.

                                   Wat dunkt u, Wyfjes? Is t' niet billyk dat we rezolveeren?

KWISTGOED.

Ja, toch.

ZOETJE.

Laaten de ouwe Lui het schikken zo als zy het begeeren.

ERNST.

Kinderen, stelt u dan gerust: wy hebben ons beraaden tot behoud van ons en uw fatzoen.
Wy zullen ons geld in de negotie aanleggen, en met u in compagnie doen,
Die dan zal moeten gaan op de naamen van Ernst, Hendrik en Zoonen.
Dit huis is groot genoeg. Wy kunnen by malkander woonen,
En zullen alle Crediteuren betaalen tot eenen duit:
Maar dan zult gy naar onzen zin moeten leeven, of het huis uit;
En dan zou je ongelukkig worden, en elders de kost moeten zoeken.
Wy zullen onder de hand al de liefhebbery van porcelyn, rariteiten en boeken
Door den tyd verkoopen, met de jagten, hofstede, rytuigen en paarden van de stal.

LICHTHART.

Heb dank, Papa, ik beloofje met vlyt....

LOSBOL.

                                                              En ik ook dat ik oppassen zal.

LICHTHART.

Maar de wissel van Rykert, die my gevangen houd, daarop dient ge eens te denken.

ERNST.

Die hebben we al betaald: daar moet gy uw harssens niet meer me krenken.

LICHTHART.

Ach Vader ik bedank u ten hoogsten: daar valt een pak van myn hart.
Ik kan u niet zeggen hoe my die verbruide wissel heeft benard.
'k Zal op het Comptoir vlytig oppassen, en alle kwaade gezelschappen verlaaten.

LOSBOL.

Verkoop myn' harddraver ook maar.

HENDRIK.

                                                         Daar behoefje niet van te praaten.
De Heer, van wien hy gekogt is, heeft hem al zonder rouwkoop weerom gehaald.
Weest dan geschikt, en draa'g zorg dat gy van 't spoor nooit wer dwaalt.

ZOETJE.

Wy hebben groote reden om Oom en Vader te bedanken.

ERNST.

Wy zullen naauwkeurig acht op u slaan: die niet oppast zal in huis niet lang banken.
Maar wy hoopen dat wy in genoegen met malkander zullen leeven.

KWISTGOED.

                                                              Papa, gy zult niet te klaagen hebben over ons gedrag.

ERNST.

Dewyl ik gaerne uw geheele huisgezin gelukkig zag,
En de liefde van Sybrand voor zyn' Patroons Dochter heb kunnen bemerken,
Heb ik, omdat ik hem gaerne mag lyen, een huwlyk voor hem trachten te bewerken.
Ik ben het ook reeds met Rykert eens: ik zal aan myn' Klein'zoon ten huwelyk geeven zo veel als Rykje krygt van hem.
Lichthart en Kwistgoed, uw Zoon is minderjarig: dierhalve zoud ge uw stem
Tot die trouw dienen te geeven, indien ze u kan behaagen.
Wat dunkt u 'er van?

LICHTHART.

Papa, wy staan verwonderd over uw goedheid: tot zulk een goede zaak behoeft ge onze stem niet te vraagen.

KWISTGOED.

Wie zou dat niet toestemmen? want myn Zoon is 'er me bewaard.
Rykje is wel opgevoed, schoon, ryk, en van een' zachtzinnigen aart;
Drie deugden, die ieder op zichzelven een' Jongeling moeten bekooren.

ERNST.

Ik verwagt hem straks met zyn Liefste hier: Heer Rykert heeft my ook beloofd mee te komen, om 't uitsluitsel te hooren.
En dewyl nu alles geschikt is, en de kosten gemaakt zyn tot het gastmaal en bal,
Willen wy niet dat het gezelschap van Juffers en Heeren u bespotten zal:
Laat het den geheelen nacht deurstaan met danssen en banketteeren;
Maar denkt dat het de laatste maal zal weezen dat we u zulke verkwistingen zullen permitteeren.

KWISTGOED.

Ach! wy omhelzen u: want gy hebt ons fatzoen bewaard, en al onze smart verzoet.

 

Kwistgoed en Zoetje omhelsde Ernst en Hendrik.

HENDRIK.

Zacht, daar komt Heer Rykert....

VIERDE TOONEEL.

RYKERT, SYBRAND, RYKJE, ERNST, HENDRIK, LOSBOL,
LICHTHART, KWISTGOED, ZOETJE, JORIS.

RYKERT.

          't Is my lief dat ik de Heeren en Juffrouwen in zulke goede dispositien ontmoet.

LICHTHART.

Mynheer, wy hebben alle reden van vergenoeging van onze Vaders ontfangen.
En zo myn Zoon aan u en aap Mejuffrouw uw Dochter niet onaangenaam is, ontbreekt 'er niets aan 't geen wy verlangen.

ERNST.

Heer Rykert, ik heb, volgens afspraak, de zaak aan de Ouders van Sybrand voorgedragen, die 't huwlyk met genoegen zullen zien.

SYBRAND.

Stemmen Vader en Moeder in myn geluk? dan kan ik myn hart en myn hand aan myn lieve Rykje bin.

RYKERT.

Leeft gelukkig saamen, Kinderen: ik stem met vreugd in uw' echt.

KWISTGOED.

                                                                                                        Wat ben ik te vreden,
Zoete Juffer, dat ge u hebt laaten beleezen door myn' Zoons genegenheden.

RYKJE.

Ik hoop, Mejuffrouw, dat ik my uw liefde waardig zal maaken.

ZOETJE.

                                                                                    Geluk, Neefjel geluk, aanstaande Nicht!

LOSBOL.

Ik wensch u mede veel zegen.

SYBRAND.

                                                Wy zyn Oom en Tante zeer verpligt.
Liefje, daar zal ik u een kusje op geeven, als myn aanstaande Bruid.

RYKERT.

We zullen overmorgen alles laaten beschryven
Door den Notaris Scrib Scrap... Maar wat is dat? Ik hoor daar geen kleintje raazen en kyven.

VYFDE TOONEEL.

MICHEL, ZOETEKAAUW, ERNST, HENDRIK, RYKERT,
LICHTHART, LOSBOL, KWISTGOED, ZOETJE, RYKJE,
SYBRAND, JORIS.

MICHEL.

Doe Rekkel, dr doe bist! Zol stoe mich smieten ond sln?
Ich wol doe mit men knokken zo veul geeven, dat stoe op krukken zoest motten gn.

ZOETEKAAUW.

Daar, Spekmof! daar Burgemeester uit Westfaalen!
Wil je al myn gesuikerde beeldjes, die je gebroken hebt, wel betaalen?

LICHTHART.

Hou op! hou op! hoe maak je zulk een schrikkelyk geweld?

MICHEL.

Den hondsvot, den grasduvel sprekket mich n om geld.

ZOETEKAAUW.

Mynheeren, die dronke Mof is met Elsje geraakt aan 't mallen.
Hy gooide de Meid op de tafel; en toen is de heele tooren van Babel aan stukken gevallen.
De Oostindische schepen zyn geborsten; Venus en Neptunus zyn armen en beenen kwyt,
En de haringpakkers tooren is ook beschadigd. Denk je niet dat het my spyt?

MICHEL.

Dat wie gestoeid hebben, Rekkel! dat zol stoe motten liegen.

ZOETEKAAUW.

Je zult me honderd daalders betaalen.

MICHEL.

                                                             J! honderd poordeviegen.
Menherren, heb stoe van zulke dingen ooit geheurd

ZOETEKAAUW.

De fraaije vyver is bedorven, en daar liggen verscheiden ligters gezonken en gescheurd.

LICHTHART.

Al je gesuikerd poppenwerk, dat beschadigd is, moet je wer maaken.
Wy willen je schade niet: gaa heen en doe je zaaken.

LOSBOL.

Ik hoor al Koetsen voor de deur. Vrienden, het gezelschap komt aan.
Pas op, Michel! loop heen om aan de deur te staan.

ERNST.

Heer Rykert, hier was alles tot een Bal bereid, wegens Lichtharts verjaaring; en dewyl alles is geschikt tot elks genoegen,
Hebben wy 't niet willen beletten: 't kan met een strekken tot viering van 't gesloten huwelyk; maar na deezen zal ieder zich tot een geschikter levenswyze voegen.

RYKERT.

Een behoorlyke ommegang, met goede Vrinden van gelyken staat is altoos goed:
Mits dat men zich daar niet aan verslaave, en zyn' tyd en geld onnoodig verkwiste, 't geen een Koopman vooral zorgvuldig myden moet.

ZESDE TOONEEL.

ERNST, HENDRIK, RYKERT, LICHTHART, LOSBOL,
KWISTGOED, ZOETJE, RYKJE, SYBRAND, JORIS, RYMER.

Gezelschap van Heeren en Dames, op verscheiden manieren verkleed.

RYMER.

Heer Lichthart, ik heb, volgens uw verzoek, uw plaats waargenomen.
En all' d'honneurs gedaan: hier ziet ge ons nu tot vreugd bereid, te rug koomen.
Wy verlangen naar 't dansen. Allons, Tractant, open nu het Bal.

LICHTHART.

De Vrienden doen my veel eer en plaisier; ieder heeft maar te eischen wat hy begeert: ik hoop dat het Gezelschap zich wel diverteeren zal.

De schutscherm word opgehaald, waardoor men in een' Zaal ziet,
die gellumineerd is. Lichthart en Zoetje openen hel Bal, waarna
door 't geheele Geselschap word gedanst.

EINDE VAN HET DERDE EN LAATSTE BEDRYF.


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001