Pieter Langendyk (1683 – 1756)

De Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden

WOORDENLIJST


EERSTE BEDRYF

venezoenen = wildbraad.
tractant = gastheer.
flus = aanstonds.
Stadhuis = nu het Koninklijk Paleis op de Dam.
zulke luizen = zulke streken op zijn kompas, zulke kuren.
tagryn = nijdigaard, twist-, ruziezoeker: volgens Dozy, Oosterlingen afkomstig van het Chald. Hebreeuws tigra (= twisten), Kil. tagghen = twisten, tagger = twister.
zorgen = bezorgd te zijn.
staartje = overschotje, rest.
Moei me niet = laat me met rust.
brui maar heen = ga heen, rot op.
uitzuipers = drinkebroers, met bijbedoeling: die uw geld verdrinken.
staat = stand, aanzien.
kluiven, meer gemeenzaam dan eten; hier gebruikt als tegenstelling als tegenstelling van het banketteren van de gasten.
buiten staat geraken = afhankelijk worden.
Treffend is in de samenhang het woord Jongens, waarmee Ernst hen ook als kinderen toesprak!
de wet = de Tien Geboden.
Vogel = Volgens Oudemans op Bredero somtijds verkorting van gallichvogel, soms minder sterk = guit, schalk, ondeugd. Daar zal men dan slimme, vlugge bij moeten denken. Hier is het in sterke zin.
opbrengen = uitbetalen.
tegenwoordig = nu, op het oogenblik.
met uw genoegen = naar uw zin; namelijk dat u hier zo alleen zit.
verschillen = schelen; nu nog dialectisch verschelen.
kliekje = overschot van eten.
immers = toch.
kwastig = kregelig, ongemakkelijk: beeld aan het timmervak ontleend.
vertrouwen = verwachten.
onze kost gekogt = ons in een gesticht (of een gezin?) ingekocht.
dertelheid = brooddronkenheid.
duit = koper munt van 1/8 stuiver.
provisie = bij voorbaat, op afrekening.
remizen = overmaking van geldswaarden, hier wissels.
bewust = bekend, afgeleid van weten.
de penningen = het geld, de centen.
oprechtheid = eerlijikheid, vertrouwbaarheid.
ruchtbaar = bekend; van roepen, vergelijk luidruchtig, gerucht, berucht.
accepteeren = aannemen, goedkeuren, waarmerken.
brievetas = portefeuille.
loten door u ingeleid waaren = onjuiste uitdrukking voor geld ingeleid of loten genomen.
casgeld = losgeld, contanten.
verschooven = achteruitgezet, verstoten.
vroom = oppassend, flink.
Men stond vroeger meestal achter de kantoorlessenaars.
in ’t huwelyk te begeeven = ten huwelijk geven; nu heeft de uitdrukking leeven met eene ongunstige betekenis (= hokken).
nederig = eenvoudig.
baaten = schelen, eigenlijk beter maken, voordelig zijn.
geprotesteerd is van nonbetaaling  = in tegenwoordigheid van een rechterlijk persoon of deurwaarder geweigerd.
beschikken = bezorgen.
neef = kleinzoon, vergelijk naneven en het latijnse nepos.
Meu = tante, ook moede, moeye, moeme (Kiliaan); afleiding van het eerst deel van moeder (vergelijk pade).
nederig houd = eenvoudig is.
sleedjes = voertuig zonder wielen, in de eerste helft van de 18e eeuw in de mode gekomen (zie Hofdijk, Ons Voorgeslacht).
bezorgen = zorgen voor.
hˇˇp = hier wel te lezen hoop, zonder accenten, dus bij massa.
aan den bak = waarschijnlijk zeemansterm voor: op de tafel, voor de dag.
strak = dadelijk.
hˇˇzevet onder de toffelkens smeeren = hazenvet onder de pantoffels smeren, namelijk om hard te kunnen lopen.
cordaat = voortreffelijk, royaal ook wel dapper.
in staat = van positie.
magteloos = uit geldgebrek, onmacht.
om peper gaat = naar het peperland (Oost-IndiŰ) gaat.
geest hebben tot = aanleg hebben voor.
schelling = zilveren munt van 6 stuivers; mnl. scellinc, mnd. schillinc, schildink, eng shilling, go. skiliggs. Van schild met -ling, de e misschien door contaminatie met hellinc. Een schelling was de entrÚe op de minste plaats, namelijk op de 2e gaanderij, waar Ernst zeker gewoon was te zitten. De bovenste galerij heet nog in de wandeling: het schellinkje.
zyn vlyt = zijn best.
in staat = tot bloei, eigenlijk tot stand, d.w.z. goede stand: vergelijk een man van positie.
aan een’ kant = van de baan, hier: van het repertoire.
raars = bijzonders, een extraatje.
katje = loden theebus.
Mandaryn = Chinese staatsambtenaar, oorspronkelijk in het algemeen in IndiŰ raadsman van een vorst, uit het portugees, mandarim, van het Indisch mantri.
gaat = weg gaat.
verbruid = vergooid, weggeworpen.
ortolans = Emberiza hortulana, zangvogel, familie der vinken, vooral in Zuid-Europa, ook in Noord-Brabant en Overijssel, ortolaan.
ducaat = gouden munt van f 5,25.
knap = eten; knappen, verwant met knijen en knippen, heeft tot grondbetekenis heen en weer bewegen, vandaar kauwen. (knapzak = zak om eten in te bewaren).
snidders = snijders vergelijk ridder = rijder; hier wel om de rijm?
is je vergeeten = ben je vergeten; je bij is vergeten (vergelijk dat is reeds vergeten) misschien naar analogie van is je ontgaan, en is je bekend, ,bewust enz.
kwikken = strikje; kwik = lenden, levendig kwikstaart, kwikzilver, kwekkennoot (levende have).
coqueluchons = kappen, grote mutsen; Madame de SÚviognÚ gebruikt coqueluchonnÚ voor: wonderlijk aangekleed.
tabatiere = snuifdoos; ook de plek op de hand (op het polsgewricht onder de duim) waar van af de snuif ge´nhaleerd wordt, wordt zo genoemd.
ryder = muntstuk van f 14, zo genoemd naar de stempel, die een geharnaste ruiter vertoont.
boekende = boekweiten.
nat = soep.
harsten = runder- of varkensribstukken.
hun rekening te kunnen maaken = af te rekenen, eigenlijk hun rekening op te maken; nu is ergens zijn rekening bij maken = zijde spinnen.
knapzak = reiszak, zak waar in het het eten meegedragen wordt.
holsblokken = klompen.
in de tyden van Maarten van Rossum, of Warenar met de pot = in oude tijden,in de dagen van olim (van ouds). Tuinman geeft als spreekwoord: ’t is van Marten van Rossems tyden.
troniŰn = aangezicht, frans trogne, vooral bol gelaat b.v. van een drinker.
ons verschil neemt noch geeft = in ons verschil niet afdoet.
snooven = snuivend d.i. met ijver, uitgaan op iets.
webbetje = weefsel.
salet = damesbezoek; verkleinwoord van salle; vergelijk cour (deel van het gebouw) cour houden.
opkraamen = weggaan, hun kramen opbreken.
Zaalemaker = zadelmaker.
hofstede = optrekje, villa.


TWEEDE BEDRYF

troeven = kaartspelen, van troef = frans triomphe.
de wissels manqueeren = de wissels ter discontering ontbreken (of de aangeboden wissels niet voldaan kunnen worden?)
assignatie = ondertekend stuk, w.i. een persoon wordt aangewezen, door wie betaling of levering uitgevoerd zal worden; in vele opzichten overeenkomende met een wissel.
korts = binnenkort.
overval = plotselinge ongesteldheid; flauwtje.
evenwel = toch.
borgen = hier uitstellen, op betaling laten wachten.
negotieeren = nemen, lenen.
goed van munt = gerand, goedgerand: munten, die nog niet door slijten of snoeien (materiaal van de muntrand afknippen) ver beneden de waarde gedaald zijn.
zinnen = verstand, overleg.
ten eersten = terstond, onmiddelijk.
meld = verklapt, noemt.
wavelyzers = tralies (horzontaal en verticaal).
leeg = ongebruikt, zonder bestemming.
gebruid = gekweld.
pinchbek = pinsbek of spinsbek, een mengsel van 5 delen koper en 1 deel zink, dat op goud gelijkt, engels pinchbeck, naar de uitvinder C. Pinchbeck, overleden 1732.
saggelaar = treuzelaar, sukkel, zeur; van saggelen, misschien verwant met het engelse tot sag, bedrukt zijn, het hoofd laten hangen.
benoodigd zyt = voor: nodig hebt; in Bedriegeij van Cartouche: ik ben benoodigt om; ongewoon gebruik; vergelijk Ned. Wdb. II, kol 1806.
jaar en dag = eigenlijk een geheel, vol jaar; vergelijk 101 schoten, eigenlijk 100 schoten; omgekeerd: 50 min 1 slagen; eigenlijk 50 slagen.
drommel = duivel.
dronken avond = avond, waarop men dronken is, vergelijk lopende zaken.
ducaton = zilveren munt van f 3,15.
onbeleefd = onwellevend, onbehoorlijk.
belaaden = voorzien van, ironisch.
oortje = kop. munt van 1/4 stuiver; het laatste deel van het spreekwoord zal er wel later bijgemaakt zijn, zoals bij zo veel spreekwoorden het geval is.
zier = wormpje, vergelijk het platte: geen luis. Over deze sterke ontkenning zie De Jager. Latere Verscheidenheden.
bruit my = raakt mij.
verwonnen van = overmeesterd door.
tegenwoordig = op dit ogenblik, nu.
apprehensie = het recht om iemand voor schuld te gijzelen.
advys = kennisgeving, dat op een zekere datum over een zekere bedrag zal beschikt worden.
honoreeren = voldoen, betalen.
affront = met schande.
boel = boedel; de zaken; oorspronkelijk woning, van dezelfde stam als bouwen, daarna eigendom (boedelbeschrijving, -scheiding) inboedel = al het geen in de woning is. Boedeo, meestal boŕl), kreeg de betekenis van alles te samen, menigte en ook rommel verglijk keet.
rescontreeren = verrekenen.
gaan = omgaan.
oprecht = open, eerlijk, vertrouwbaar.
comptoir = factory, (bij)kantoor, filiaal.
Om de papieren van een fonds of maatschappij te doen dalen, werden dikwijls valse berichten verspreid. Natuurlijk hadden de actionisten (actie-houders (aandeelhouders) vooral gebruikt voor hen die speculeerden in acties (aandelen) er vaak belang bij, terwijl ook de verzekeraars voordeel konden hebben bij het opwekken van vrees.
rˇˇrs = zeldzaams, bijzonders. (Engels rare).
koopje uit een erfhuis = buitenkansje; op de verkoping van de inboedel van een overledene kan met natuurliujk gemakkelijk iets kopen, waar men anders moeilijk aan kan komen, zeldzaam en toch niet duur.
geryven = gerieven.
sleeper = koetsier.
gepast = gelet, namelijk om te te arresteren.
gaans = gaande, aan de hand.
gestoord =  verstoord over, boos op.
niets over = geen batig saldo.
verschot = als loon voor zijn voorschieten.
Ó deposito = tijdelijk in bewaring of gebruik tegen rente.
afgezaagde stof = van het afgezaagde kon L. meespreken; in zijn Gedichten staan meer als honderd bruiloftsliederen.
zorgvuldige = zorgzame.
fide´commis = onvervreemdbaar; dat wil zeggen; bij testament mij alleen het vruchtgebruik gegeven van al mijn gelden (goederen).
zesthalven = zilveren munten van 51/2 stuivers (zesthalve = zes ten halve = 5 plus een halve = 51/2.
altyd = ten minste, in alle geval.
krenken = hinderen, krank (ziek) maken, nu: vernederend, smadelijk behandelen.
in vryheid = vrijuit, gerust.
naarheid = benauwdheid: hier dus in de oudere betekenis, vergelijk het engelse narrow.
achter bleeven = wegbleven.
Solliciteur = zakenwaarnemer.
causa movens = verkeerd voor cause movente = om dringende redenen.
word veeltyds bezwaard = wordt dikwijls iets ten laste gelegd.
De dubbelzinnigheid van dit antwoord behoeft wel niet nader aangetoond.
gevat = bekwaamst in.
Turken = Afrikaanse zeerovers?
Nazo = met de neus: bij Brandarius heeft L. zeker aan Brandemoris (brandewijn) of iets dergelijks gedacht; daardoor zal de bijnaam met den neus ook verklaard zijn.
plaisier = dienst.
ootje = nulletje, nietswaardig persoon.
vaaren = varen in de oogspronkelijke betekenis van gaan; woordspeling op welvaren.
berokkenen = stoken, veroorzaken.
borlesoesje = samenstelling van borrel en soes, soes is de naam van een luchtig gebak,en ook = bedwelming. Waarschijnlijk is de naam een aardigheid, waarin aan de beide betekenissen gedacht is.
klikken = overbrengen: klanknabootsend woord voor praten, dat zelf ook in die zin gebruikt wordt.
n.l. vrijheid in eigen huis.
staande ons huwelyk = zolang ons huwelijk duurt.
optrekken vergelijk optrekker = nachtbraker (Bredrode Klucht van de Koe).
gekwinkeleerd ironisch voor: gejoeld, lawaai gemaakt.
van den duivel droomen; meer voorkomende bedreiging = het zal je opbreken. Tuinman geeft als spreekwoord: Die schuldig is, droomt van den Duivel. Hier: zal je lelijk te pas komen.
afgetroond = afgebedeld, weten te krijgen: ontstaan uit trogenen, naast troggelen, met verscherping uit (be)driegen.
brui = ga.
hofsteŕ = optrekje, villa: een geschikte aanlegplaats, omdat met er vrijer was dan in de stad.
oxhoofd = groot vat, bevat 6 ankers (= 220 liter) wijn; okshoofd = hokshoofd, engels hogshead, van het frans hogue. Plantyn vertaalt het door tonneau de France.
zwyg maat stil, dan vergrypt gy u niet = zegt u niet meer, dan u verantwoorden kunt.
op een hair = tot op een haar nauwkeurig.
Apenteker = apotheker; gewone woordverdraaing vooral door kluchtspeldichters graag gebruikt (Jaap Stortefles = Aristoteles, ossestier = officier, luisensaet = licensiaat (kandiaat-dokter), Snaken-Generaal = Staten-Genraal), waartegen Justus van Effen in zijn Spectator te velde trok.
Salus PatriŠ = op het heil van het vaderland.
comparitie = bijeenkomst.
Salve Procurator = je welzijn, procureur.
diverteer = vermaak, amuseer.
roemer = groot wijnglas.
rinsch = zuurachtig, een beetje scherp.
staat = de stand van zaken.
dingen = zaken.
effecten = waarden in het algemeen.
Faliet = de gefailleerde (de persoon die falliet is gegaan).
pyne = moeite, frans peine, latijn poena; nu lichamelijke smart, pijn.
posito = gesteld.
meervoud voor de rijm.
directie = regeling.
pro forma = voor de vorm.
bullebakken = schrikbeelden, bangmakers. Het woord betekent ook: spook, bietebauw, duivel, en is van onbekende oorsprong; het 1e lid. zal wel de stam van bullen, waarnaast bulderen, zijn: zie Ned. Wbd.
doeken = bedriegen; oorspronkelijk iemand een doek omdoen (b.v. naar zijn aangezicht), dan: naar de mond praten, misleiden en bedriegen; een enkele maal ook blinddoeken; zie Ned. Wbd.
costume = gebruik, frans costume, engels, costum, latijn consuetudo; nu, behalve als historische term alleen kleding.
Ik heb niets te verzuimen = ik heb geen haast.


DERDE BEDRYF

mom = masque, gemaskerd persoon. Door Franck en Vercouille verklaard uit mommen naast mommelen (mompelen), onduidelijk spreken. De uitdrukkingen ofr. momme, mome, buffon, masque, nfr momon = maskerdans, doen echter denken aan een afleiding van Momus. Of men zou moeten aannemen, dat deze woorden ofafhankelijk staan naast ons mom, mommendans, enz. Vergelijk masker, volgens Franck waarschijnlijk uit het arabisch masschara = spot.
weŕr = over.
Scaramoes = figuur uit de Italiaanse comedie. Krispijn, die in de Hollands kluchten meestal een dergelijk rol speelde als Scaramoes en Arlequin in ItaliŰ (snaakse (brutale) knecht = slaaf uit de klassieke comedie), droeg het costuum van Scaramoes; effen zwart, zwart manteltje, paarse kraag, geel leren bandelier (degenhanger), lange rapier (degen).
ten eersten = dadelijk.
er niet aan ruiken = er niet van genieten,
gouden ryder = muntstuk van f 14.
colombyntje = zeer zacht gebakje.
Vianen = vrijplaats, de gewone wijkplaats voor bankroetiers. Vianen had evenals Kuilenburg (Culemborg), Buren e.a., een eigen (heerlijke) rechtspraak.
innocent = ontoerekenbaar, niet in staat voor zicht zelf op te treden in zaken, vergelijk ons onnozel, oorspronkelijk onschadelijk, het Hoog-Duits einfńllig = onnozel en ons simpel.
vruchten van myn nalatenschap trekken  = in de vorm van vruchtgebruik gedurende de minderjarigheid van de kinderen.
smeerschoen = vleister, vergelijk brekespel. Vergelijk ook het gebruik, dat werklieden de schoenen van de eigenaar vegen, wanneer het huis voltooid is, waarvoor hij dan verplicht is te tracteren.
boedels = de zaken, met hebben en houden.
porcelynkassen voor porceleinkasten: nu nog broeikas; kas = mnl. kasse uit het Noord-Frans casse; later nog eens als koopmansterm uit het Italiaans cassa; kast is uit het Hoog-Duits overgenomen.
hebben ons beraaden = zijn na overleg besloten.
jagten = pleziervaartuigen.
verbruide = vervloekt.
rouwkoop = de spijt over een koop, oorspronkelijk een koop, waarover men berouw heeft.
lang banken = blijven, vertoeven, vergelijk onze uitdrukking: lang tafelen,
meŕ bewaard = goed bezorgd.
deurstaan = voorduren, eigenlijk blijven staan.
verzoet = genezen, in zoet verkeerd; hier sterker dan ons verzacht.
gesuikerde beeldjes = suikerpoppetjes.
haringpakkers tooren. bij vergissing in plaats van Schreiershoekstoren, dit is zeker te danken aan de voltooiers van het blijspel.
eischen = bestellen, opgeven.


Email: J.R. van Wijk

Laatste wijziging van deze pagina: 19 July 2001