J.H. LEOPOLD

ZES CHRISTUS-VERZEN


1

Stammen vragen naar een vreemd ding,
steektakken in wringverwildering
in een akelig scherp afpijnen
op dingen die dood verloren schijnen;
5. een alpogen van dat strakke winterwoud
wringend op in een sterk vragen stout,
in een niet weten en al de boomen
waren in warre verschrikking gekomen.
---
Daaronder weggeworpen versmeten
10. aan den weg iemand vergeten
weg en om hem was wild gewas
opstaande waarin windkou was;
en in het donkere omzijn der kleeren
een dun aangezicht zich om ging keeren
15. en lag dan in wachten op wat zou zijn
en oogen waren in dit bleek aanschijn
van zoo een blinkend wezen, dat zij geleken
op donker water, op twee verre beken
twee zomerbeken, waarin overvloed,
20. een diepe weelde opwellen doet;
uit het donkere onder is vol opbloeien
van vocht en dan een uitgaan, een lang vervloeien
in een strak gebogen glans vlietend uit
en daar is geen windbewegen, geen geluid.
25. Zoo dit oogleven, het stille, vele
in rond het doode, het eene, geheele
denkleven, eêle rijkdom van een ziel gouden
in blanken arbeid, klein ingehouden
een streelend peinsbegeeren op één ding gericht
30. een trillend willen, dat huivert achter dit aangezicht.
Wel een vreemde, zoo een angstige hemeling
daar de rustende, de zeer vereerlijke,
de klam zweetende, de nu deerlijke
die onder lag, de verworpeling?
35. Hemeling?


TerugVooruit