J.H. LEOPOLD

ZES CHRISTUS-VERZEN


6

IS HET WAAR, DAT GIJ HET WAART?

Toen,
toen er een licht verschijnen
tusschen de heesters kwam, door de jasmijnen
en de bloeistruiken door en de roode rozelaren
en de geuren die als vlinders waren
5. wuivende, stuivende over de glinsterblaren
en buiten de zon aanminnig
en van wind een streelgeaêm kus-innig.
Toen, als er een door de stamrijen ging
in een blanke lentmijmering
10. in een denken zeer sterk en ingetogen
en heeft het stille hoofd nimmer afgebogen
en scheen lezende met alle verstand
in een boekske open in zijne hand,
zoo stil een zinnen, een wezen zoo louter, fijn
15. licht vloot af van de haren, de wangen zijn
en edel muziek, een omspelen van klanken
in het ruizelen van zijn kleed, het goudblanke
in zijn gaan door de bloemen, de bloesemranken.
En zoo groote ingekeerdheid was in dezen
20. hij mocht wel zelf zoo een plant wezen
zulk een bloem vredig staande op haren stengel
in halfwezen verloren, gewiegd
door windewil, windewil, die loom wiegt
de tengere met heiligheid, de gewijde
25. met het volle denkhoofd, het gebenedijde
in een enkel en hoog eenzijn
in zich zelven geheel heenzijn
in zich pijnende, kwijnende, bloemmensch alleenzijn.


TerugVooruit