J.H. LEOPOLD

DE MOLEN


In den lichtblauwen lentedag
met gouden sprenkeling (hamerslag van spattend zonneaambeeld), in de leege opening van de nog blinde 5 lucht, die zich te bezinnen lag, loopen nu zuchten, een verzachting al van strengere wezens, tesamenval van wat strak uitstond en mindering van bangheid en overwintering.

10 Onder de huizen donker en vocht, de woningen en de stratenbocht met kilte, die van de muren vliet, en voorjaarswasemen in het verschiet, in hun midden grommelig en plomp 15 de norsche kolos, de opgaande romp van den windmolen; zijn onderste voet nog in de bedommeling en het roet der daken, maar alreeds beschenen de rijzende bouw, de metselsteenen 20 en verder boven het licht als room op balken en spant, het hangende toom, de vlakke muren, den omgang en op de grijze wieken, den molenkop.

De grijze wieken... in de weeke lucht 25 is hoorbaar het talmende gerucht van hun arbeiden; zij komen aan, vier vakken in de lucht wegslaan de uitgestokene en zij schrijven hun cirkeling, nu zij weer drijven 30 op stroomen, die hebben meegevoerd de zonversplintering, het ontroerd ademen van land en zee, de gave waarvan de kostelijkheid met laven strijkt door hun traliën en zij 35 met ruime banen te loef, te lij zeilen zij door het luwe weer, vinden hun oude wisseling weer van op en onder en berg en dal, omhoogtriomf en hemelval, 40 van aanloop stormende genomen en hartbeklemmend nederkomen, de toppen langzaam overglijden, op glanzende ruggen huiswaarts rijden den ingekeerden carrousel, 45 het eindeloos, eindeloos kringenspel. 0, afgetreden weg, die leidt wanneer tot rust en ledigheid? en altijd nieuw geploegde voor, waar is het zaad, dat in uw spoor 50 mag vallen, kiemen en bestaan in dagenlengte?...

Zij gaan en gaan, mijn droomend denken hecht er zich aan onmerkelijk, tot het wordt bevonden als volgde het mede in het ronde, 55 als werd het geledigd en afgewonden. Op deze wieken en op hun spil, die immer en immer zich wenden wil, is het gegrepen en aangevat als op een kenterend spakenrad, 60 een garenhaspel, een rafelwinder van draden, die effen en zonder hinder afwikkelen, uitkomen met geduld en onuitputtelijk aangevuld. En deze vier armen in hun werken, 65 deze grijsfulpene vleermuisvlerken de spichtige, zij worden behangen met zilveren spinsels, de vleugels vangen de vlossige zij, het lange lint, de wimpels strakstaand in den wind, 70 het vlottende rag, het drijvend vlies, de pluizen alle zonder verlies, elk vlokje, iedere zwerveling gezogen in de werveling, het kleeft aan de spijlen en aan het leeg 75 latwerk en ijl en wonderlijk veeg wordt er hun weefsel, een web verward met open gaten en flard bij flard, een ruigte, die bindt en samenhoudt het kantige hek, het ruwe hout 80 en ordeloos omgeslingerd is als grillige voorjaarswildernis volgroeid; en midden in dit struweel een verdichtingsbegin, een grijs juweel, bestoven parelen, diadeem 85 teloorgehangen in den zweem van haren, in hun net verstrikt, de glinsterstrengen langs geschikt, een sprenkelreeks, een zilverrist, over den dichten heg verkwist 90 de sierselen. Welke dagvorstin met slippenrand opflitsende in de hemelhelderte even, voer door dit gewest en liet het snoer ontzinken? Welke vinger had 95 den hoogen luister aangevat en iets van verre aetherschat gebracht in deze huizenstad?

Zij tilt zich overeind en in
het licht en maakt een stil begin
stil met zich zelve, langs het smalle
lijf liet zij het hemd afvallen,
5. dat zakt tot in een dunnen kring
van plooien, een weinig mijmering
zet zich, zij ziet naar beneden
de blootheid van haar eigen leden,
het vreemde van het nu gebleken
10. lichaam en de schemerbleeke
beenen, de voeten uitgespreid
en in hun zachte nederigheid
de teenen, die bijeengedoken
schuilen, al de onafgebroken
15. opvolging en het tesaambehooren
der leden alle, die zonder storen
vervloeiende zijn en als te hooren
met zacht muziek, die werd geboren
in hunne overgangen. In de rust
20. van hare lijdelijkheid wordt zij bewust
hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan-
komt, nu zij zich liet begaan,
alsof dit alles buiten haar was
en zag zij het in een spiegelglas;
25. is zij dit zelve, is zij er in
en ziet zich zelve, waar is het begin
van dit wat te denken bezig is
aan zich zelve en ongewis
wordt zij hier, haar gedachten zouden
30. niet verder kunnen, teruggehouden
in deze bedeesdheid, alleen er hing
een voelen van herinnering
van vroeger, alsof het al een keer
zoo was, en over het wanneer
35. denkt zij nog even en dan met kleuren
om haar vreemddoen gaat zij zich beuren
uit haar verzonkenheid en nog is zoet
haar naglimlachen bij wat zij doet
in verder kleeden.


TerugVooruit