J.H. LEOPOLD

MORGEN


3

Zij tilt zich overeind en in
het licht en maakt een stil begin
stil met zich zelve, langs het smalle
lijf liet zij het hemd afvallen,
5. dat zakt tot in een dunnen kring
van plooien, een weinig mijmering
zet zich, zij ziet naar beneden
de blootheid van haar eigen leden,
het vreemde van het nu gebleken
10. lichaam en de schemerbleeke
beenen, de voeten uitgespreid
en in hun zachte nederigheid
de teenen, die bijeengedoken
schuilen, al de onafgebroken
15. opvolging en het tesaambehooren
der leden alle, die zonder storen
vervloeiende zijn en als te hooren
met zacht muziek, die werd geboren
in hunne overgangen. In de rust
20. van hare lijdelijkheid wordt zij bewust
hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan-
komt, nu zij zich liet begaan,
alsof dit alles buiten haar was
en zag zij het in een spiegelglas;
25. is zij dit zelve, is zij er in
en ziet zich zelve, waar is het begin
van dit wat te denken bezig is
aan zich zelve en ongewis
wordt zij hier, haar gedachten zouden
30. niet verder kunnen, teruggehouden
in deze bedeesdheid, alleen er hing
een voelen van herinnering
van vroeger, alsof het al een keer
zoo was, en over het wanneer
35. denkt zij nog even en dan met kleuren
om haar vreemddoen gaat zij zich beuren
uit haar verzonkenheid en nog is zoet
haar naglimlachen bij wat zij doet
in verder kleeden.


TerugVooruit