Oostersch

Verzen naar Perzische en Arabische dichters

Jan Hendrik Leopold (1865-1925)

Coster-pagina

3

MIJN boom heeft kweeën tegen ooft,
  dat glanzend was en honingzoet,
De top is over en het pad
  ligt afwaarts voerend voor mijn voet.

Gedronken is wat van den wijn
  de klare opperbloesem is,
Er rest mij nu nog ééne slok,
  een slok, die niets dan droesem is.

Een lichte lente is de jeugd,
  een winter is de ouderdom,
Maar is een winter zonder meer
  en brengt geen nieuwe lent' weerom.

Waar zijn de vrienden van voorheen
  in fleur en frischheid hunner jaren?
Waar zijn de bruiden met de krans
  en de juweelen in de haren?

On der aarde hebben ze al
  hun tent gebracht en heengebeurd
En nu de zefir spelend heeft
  de winterwâ vaneengescheurd.

Nu tilt de eerste amandelbloem
  een hoofdje popelend en stout,
Een tenger, zilvren vrouwenlijf
  te voorschijn uit het doodkisthout.

En de violen zijn een lok
  van zwart en muskusgeurend haar,
Dat viel, o liefste, liefste, en zeeg
  onder der dagen valsche schaar.

Ik meen, de lelie is een kind,
  een feeënkind en opgeleid
Tot hooge kieschheid van gevoel
  en adel van welsprekendheid.

Zij heeft een gouden mond en toch,
  zij mag het spreken niet verbreken
En van haar peinzensgrond en van
  het eeuwige mysterie spreken.



Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Oostersch hoofdpagina. Naar de Coster-pagina.