Oostersch

Verzen naar Perzische en Arabische dichters

Jan Hendrik Leopold (1865-1925)

Coster-pagina

7

I

Wat brengt gij mede uit de looverlanen
des mijmerens, uit de ontloken pracht
van uw extase en de opgegane
hemelsche bloei, wat hebt gij meegebracht? -

Ik had met rozen, met een rooden buit
van geurenden gevuld mijn tabberdslippen,
maar zoo bedwelmend ademden zij uit:
Ik liet de zoomen uit mijn handen glippen.

II

Er wordt niets van Zijn wezen meegedeeld
dan fluistrend: Hij heeft geen evenbeeld.
De minnenden vergaan voor den Beminde,
geen, die er stervende een stem kan vinden.

III

Gij Reikende over zinnen en gedachten
en wat wij staamlend onder woorden brachten,
ons uur loopt af, ten eind gaan onze jaren
en wij zijn vreemd van U, zooals wij waren.

IV

O nachtegaal, die roept en jubelt uit
zijn vol geluk, de zoete ijdeltuit:
de nachtmot kwam haar martelvlam omzweven,
zonk af zieltogend en is stom gebleven.



Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Oostersch hoofdpagina. Naar de Coster-pagina.