Om mijn oud woonhuis peppels staan
`mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
`mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
`mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
`mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

J.H. Leopold
(1865 - 1925)

[ Verzen , 1912 ]