J.H. LEOPOLD

VERZEN 1895


1

De bedgordijnen hangen zoo ijl
en angstig af; er beeft een vreezen
van hen uit voor dit vreemde wezen
der toegeschovenen en leeft een wijl
5. in een bedremmeling en wil van dezen
weren en sterft.
---
Zij hangen in den zachten dag
zoo stil, zoo zedig, ongerept
van elk bewegen; weten mag
10. den liefbedeesden gegeven zijn,
eerbiediglijk in wachten houden,
weten van leed, opdat zij zouden
peinzen en zorgen in een schijn
van geheimzinnigheid en verhelen,
15. de ingetogenen, als bewust,
dat er een schat bij hen berust
van een kostbaar verdriet voor velen,
een levensbeklagen.
-
Zie, in de weeke
peluw, onder de neergestreken
20. lakens, hier is geheimenis bereid
en ligt een meisje in doodsverschijnen
een kind in zijne onnoozelheid
en al het menschelijk afpijnen
is armer dan deze nu, vorstin
25. van andere, gesloten koninkrijken,
een dolende, waar paden wijken
achter de heuvels en een verschiet
een wijdverloren; men vindt het niet.
---
O, welk een deerlijkheid is dit,
30 zooals het vrome hoofd gedoken
ligt in de haren en zij strooken
der wangen wit
de strengen, strak getrokken stroom,
waarin des aangezichts eenlingsbloem
35 drijft, rijk van mild wit, overtogen
als van een dauw des doods, een pracht
verzonken in zich, zonder acht
voor anderen, pogend naar het hooge
wonder van zich, van zijn eigen wezen;
40. en vrediglijk stil gebracht zijn deze
handen en in elkaar geborgen,
schuilende over dit broze vrouwen-
lichaam, dat werd met zachte zorgen
geloken en zoet toegevouwen.
---
45 Hoe streng is nu uw zijn geworden,
dat over u ligt een gebod
van trotsche wering en dat tot
scherpe bewaking u omgorden
kuischheid en koude, wakend hard
50 over een iets, met zich alleen,
uit het niet eigene nu ontward,
uit het afgevallen vele Een,
dat enkel ernstig te zijn begeert
en in zich zelve en zoek wil wezen
55. en dat zijn denken heeft verwezen,
zijn zekerst willen heeft gekeerd
op het dreigende, dat komen gaat
door de verwulven sints ontsloten,
een gang, die opgetrokken staat,
60. waardoor op eens het dwingend groote
verschijnt.
En deze is gebogen
tegen het bange, haar zielsvermogen
krampt bijeen in een zich bereiden
tot bleek geduld, een gedoogend lijden.
---
65. In een wachten gij, douloureus
en ik kan niet brengen, ach hoe zouden
mijn reikende begeerensarmen
aan dit, het zorgzaam ingehouden
en wegbewaarde leven raken
70 mogen en hoe zou mijn erbarmen
uw fiere weigering genaken,
van elk beklagen weggevlucht
in zelfverkozen eenzaamheid;
mijn willen is in lijdzaamheid
75. teruggezonken en gezwicht
is dan mijn zwak en arm bedoelen
zoo ziek in een zich hulpeloos voelen
en moe; toen ben ik neergeslagen.
---
En was weer klein en bitter bedroefd
80. om u, die mij nu niet meer behoeft,
mij niet meer heeft gewild; en toch
wij waren wel goed elkander zeer
en lieve zielsbevrienden en meer,
wij zachten en oprechten nog
85. en zoekenden, die elkander wisten,
in levensnevel een ander gisten,
die komen zou door zwellend verlangen
en is gekomen en is ontvangen
tot ons, tot onzer ziel festijn,
90. tot onzes lijfs zeer schuchter zijn.
Toen werd een morgen, een vroege tijd
open en voor ons een nieuwe dag
koel liggend in een verlangenslach,
95. te gaan, waar wij stille genooten waren
en afgezonderden, die wilden loopen
in schaduw om onze hoofden, in gebaren
aandachtig gingen onze armen open
en lijdelijk werd ons lijf, bezwijmen
100. moesten wij onder het geheime
bezige der zielen, die vervuld
lagen in wederzijdsch inwijden,
in een geluk van al-belijden
van liefde, van smart en ongeduld
105. van wachten, luisteren, opgeschrikt
of daar de liefste komen mocht,
van droomen, waarin wij opgezocht
elkander en teekens toegeknikt,
waarin wij beloftewoorden gesproken.
O, wachten, wachten, neergebroken
tot wanhoop eindelijk om de ellende
van mijn schoon jonge leven, vergaan
in leeg verlangen, moe doorgestaan
ten leste, en als ik het u bekende,
115. lief, zie, hoe zoet was het nu geworden.
---
Nu, dat wij waren in bedaren
tot rust komen van veel verdriets
in troosten, dat ons leed verklaren
wegspreken deed, dat het was niets
niets, want wij wisten immers goed
het einde, was dit niet een begin
van wat in onzen kinderzin
gelegen had als een vermoed
gebeuren, waren wij niet aanvlijend,
125. lagen onze handen niet in elkaar,
waren wij niet een samen schreiend,
stamelend, verwonderd menschenpaar?
In een stil scheiden was uitgetogen
de groote somberte, weggebogen
130. in haren trots en haar getrouwe
volgelingen, een donkere wacht
van angst en twijfel en zielsberouwen
zij werden zwijgend weggebracht.
En dan een leegte blijven deed,
135. een teere eenzaamheid gereed
dat intrek neme de aangebedene
vrede van onze zielen, eene
zeer gesmeekte, die zal verleenen
geheele rust den afgestredenen;
140. een weenensleniging, een weeke
vergetelheid ons vrome tweeën
gegeven, ons, van wie geweken
elk verder wenschen. O gij mijn gedweeë
lief, veilig mij gegeven bruid,
145. die peinzenslangzaam zich ontsluit
om mijnentwille, hoe wel geweten
tot een, die daar in u mag vinden
is mij uw wezen, toegezinde
bevrediging en die zijn leven
150. voelt neergebracht tot de zeer blijde
nederigheid zijn zin te leiden
ter ingekeerdheid en aandacht geven
op al het komend, stil arbeiden,
geheim bedrijf van uwe ziel,
155. waarin een godheid zich geviel
te wezen in de nieuwe tijden.


TerugVooruit