J.H. LEOPOLD

VERZEN 1895


6

Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen
---
5. en wiekevlokken van groote bleeke
vlinders en blanke dauw geregen
aan herfstrag, alles wat van de veege
lente nog is, die gauw verstreken;
---
en iets van zonlicht, nu ik het kuisch
10. en koel en treurig heb bevonden,
nu mocht ik het sprenkelen in het ronde
rijkelijk om in de doodenkluis
---
en ijl gerucht van een mompelwoord
van menschen, die gaan onder het raam,
15. daar wordt gesproken met uw naam
en "zij is dood, ze is dood" gehoord.


TerugVooruit