J.H. LEOPOLD

VERZEN 1897


6

Om mijn oud woonhuis peppels staan
--- "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
---
5. Het regent, regent eender te hooren
--- "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.
---
Het huis is hol en vol duisternis
10. --- "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.
---
Er woont er een voorovergebogen
--- "mijn lief, mijn lief, o waar gebleven"
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.


TerugVooruit