J.H. LEOPOLD

EEN KEUZE UIT ZIJN VROEGE POËZIE

1893- CA. 1900

Doorgaans ziet men in de ontwikkeling van Leopold als dichter een breuk optreden rond het jaar 1900. De poëzie die hij tot dan geschreven heeft, zou men tot op zekere hoogte als liefdespoëzie kunnen beschouwen (met uitzondering van de cyclus waarmee hij in 1893 debuteerde, “Zes Christus-Verzen” en van de reeks “Verzen 1897”), maar dan wel als de poëzie van een liefde die nooit lukt. In de periode na 1900 verdiepte Leopold zich grondig in de filosofie, en daarvan gaan vervolgens ook zijn gedichten de sporen dragen.

De "Zes Christus-Verzen" werden in 1893 gepubliceerd in De nieuwe gids; in dezelfde aflevering debuteerde ook Henriëtte Roland Holst. Deze cyclus van zes gedichten is hier in zijn geheel opgenomen. In een aantal opzichten kan men hem als de doorbraak van de moderne poëzie in Nederland beschouwen: het is poëzie die tot op grote hoogte niet meer samenvatbaar is en haar betekenismogelijkheden oprekt met behulp van uitgebreide netwerken van contrasten en parallellieën. Beelden van lente, zomer en bloei worden systematisch geconfronteerd met beelden van winter, koude en verwelken, en op abstracter niveau vinden die reeksen elkaar in de oppositie ‘leven’ tegenover ‘dood’, die op een — uit bijbels oogpunt — heel vrije wijze met de Christusfiguur van deze reeks wordt verbonden. Je kunt de zes gedichten het beste letterlijk als een ‘cyclus’ (‘cirkel’) lezen: als aan het einde van het zesde en laatste gedicht het kwijnen en eenzaam-worden van de Christus-figuur inzet, draait het verhaal verder naar het begin van het eerste gedicht, waar dat proces al een stuk verder blijkt te zijn voortgeschreden.

Leopold werkte in zijn poëzie tot 1900 altijd in reeksen of cycli. Uit het bovenstaande blijkt dat de met specifiek-dichterlijke middelen bereikte samenhang binnen die reeksen van bijzonder belang is. Toch heb ik het me voor de rest van deze kleine Leopold-bloemlezing gepermitteerd om een paar afzonderlijke gedichten maar uit hun verband te halen. Voor een eerste kennismaking lijkt me dat wel aanvaardbaar: als je er maar van doordrongen bent dat zo een aantal componenten van de betekenisvorming in deze gedichten onzichtbaar blijft. Zo is de reeks “In gedempten toon”, waaruit ik het slotgedicht heb gelicht ("Een stille dag is om mij heen") als geheel de dichterlijke verbeelding van een aantal overwegingen over droom en realiteit, illusie en nuchter inzicht — weer in verband met de liefde tussen een ‘ik’ en een ‘u’ — en dat slotgedicht werkt pas optimaal als je de vele opposities van dìt gedicht met de eerste twee gedichten van de reeks ziet. Maar ook zonder dat blijft er genoeg over.

De reeks "Verzen 1895" is een dichterlijke verbeelding rond het doodsbed van een jong meisje. Probeer de lange, windende, enjamberende en vaak aan de grammaticale controle ontsnappende zinnen te lezen als het verslag van een steeds maar doorgaand bewustzijnsproces dat cirkelt rond het gegeven van de onbereikbaarheid van deze geliefde dode/ dode geliefde. Aan het slot van het eerste gedicht ("De bedgordijnen hangen zoo ijl") heeft de ‘ik’ zich via de herinnering een voorstelling binnengemanśuvreerd waarin de onbereikbaarheid van ‘u’ veranderd is in ontvankelijkheid. In het derde gedicht van de reeks — in de bloemlezing het tweede, "O, als ik dood zal, dood zal zijn" — herinnert 'ik' zich de woorden van de stervende. In het zesde en voorlaatste gedicht — hier het derde, "Laat ik nu leggen lichte dingen" — komt 'ik' tot een zekere aanvaarding van de dood van 'u': 'u' kan nu begraven worden, onder het ijlste en ontstoffelijkste dat er is (en waarmee je eigenlijk alleen in poëzie kunt strooien: rozeranken, vlindervleugels, dauw, sprenkels zonlicht).

"Om mijn oud woonhuis peppels staan" heeft een lange traditie achter de rug als classic in de Nederlandse poëzie en modelgedicht in de universitaire poëzie-analyse. Het komt uit een cyclus, "Verzen 1897", met een zeer complexe structuur. "Zij tilt zich overeind" is het derde gedicht van de reeks "Morgen", eveneens uit 1897. In deze reeks koppelt Leopold de voorstelling van een liefdesrelatie aan de kernbegrippen van Van Deyssels sensitivisme. De kleine bewustzijns-beving die het personage ‘zij’ uit dit gedicht ondergaat, bevat op een heel dunne manier de meeste elementen van dat sensitivisme: het gevoel van vreemdheid, het gevoel dat ‘ik’ een ander is, het gevoel hetzelfde al eens eerder te hebben meegemaakt (‘déjà-vu’), het gevoel de rand van het bewustzijn bereikt te hebben.

"Regen" is waarschijnlijk van iets na 1900 en, anders dan de andere gedichten, niet voorgepubliceerd in De nieuwe gids, maar voor het eerst gedrukt in Leopolds eerste bundel, Verzen (1914). De voorstelling van een samenhang-in-het-groot die zich spiegelt in een samenhang-in-het-klein (de regendruppel) toont de sporen van Leopolds filosofische studie. In de interpretatie-traditie van dit gedicht wordt in de samenhang-in-het-klein, vertegenwoordigd door de druppel, vaak ook de samenhang gezien zoals die in het gedicht te vinden is. In deze interpretatie (een ‘poëtologische’: zo noem je dat als poëzie over poëzie gaat) wordt dus met “dit klein trilkristal” — zie de slotregel — expliciet de regendruppel, maar impliciet het gedicht aangeduid.

Dick van Halsema