Rosalie Loveling

De tweede vrouw uit: Gedichten, 1870

Ik was der kinderen tweede moeder,
En als ik in de woning kwam,
Daar stonden ze allen rond hun vader,
Gelijk de scheutjes rond den stam.

Hij zette 't kleinste op mijne knieën,
En leî zijn handjes in de mijn,
En zeî, dat het mij lief zou hebben,
En dat het zou gehoorzaam zijn.

Ik ging er meê aan 't open venster,
En toonde 't schaapje in het gras,
En vroeg hem hoe zijn broêrkens heetten,
En zeî, dat ik zijn moeder was.

Het wendde 't hoofd naar de oude vrouwe:
Ik zette 't neer en liet hem gaan;
Zij sprak er stil en minzaam tegen,
Het bleef bij haren zetel staan.

Ik ging tot haar en zeide: Moeder;
Ik weet niet of zij 't heeft gehoord;
Zij keek mij strak en vreemd in de oogen,
En stond niet op, en zeî geen woord.

Hun vader zal het nimmer weten,
Wat er toen omging in mijn ziel,
En hoe de stilte van de kinderen,
Als een verwijt op 't hert mij viel.

Ik hem hen al tot mij doen komen
En hen gestreeld, en hen gekust;
Maar 't scheen of mij hun moeder toeriep:
"Och, laat mijn kinderen toch in rust!"