Rosalie Loveling

Moederangst uit: Gedichten, 1870

Zij zag het wiegjen op den stroom,
Gelijk een schuitje drijven;
Dat zag zij in een naren droom,
Het hart vol schroom,
Zij voelt haar bloed verstijven!

Waar of ze 't nu nog wedervindt,
Haar zoo op eens ontnomen?
Een prooi aan 't water en den wind,
Hoe kan het kind
Aan zulk gevaar ontkomen?

Maar zie, ze ontwaakt en 't lacht haar aan,
Zij is nog diep bewogen,
En voelt het hart nu dankbaar slaan,
Terwijl een traan
Komt schittren in hare oogen.

De nacht is stil, en kalm en klaar;
Haar bange droom is henen;
Maar is voor 't rustend kindje daar,
Ook al 't gevaar,
En alle leed verdwenen?

Ach neen; zij 't wiegje nog zoo zacht,
't Moet toch langs wilde baren,
Gelijk een scheepje met zijn vracht,
Bij mist en nacht,
Den levensstroom bevaren.