Rosalie Loveling

Het avonduur uit: Gedichten, 1870

Waarom die zucht alweder,
Die uit mijn herte welt,
Die oude erinneringe,
Die mij den boezem kwelt?

Och, hier was 't dat we speelden
In 't zomeravonduur,
Gelijk twee jonge geitjes,
Op 't grasplein voor de schuur.

Wij schaterden en stoeiden,
En liepen ons zoo moê,
En sliepen op éen peluw,
En moeder dekte ons toe.

De jaren rolden henen;
De kinders werden groot;
Hoe klein scheen mij ons hoefken
En de akker die 't omsloot!

Ach, 't vogeltje wil vliegen,
Als 't vlerkje zich ontplooit,
Al is 't belommerd nestje
Met mos en dons bestrooid!

Ik woû naar verre streken;
Mijn jonge broêr trok meê;
De zwaalwen uit éen nestje
Gaan samen over zee.

Daar zat hij somtijds, droomend,
En keek in 't blauw verschiet,
Of in het rimplig water
Dat langzaam henenvliet.

Wat mocht zijn ziel bedroeven?
Dan werd zijn oog zoo nat;
Dacht hij misschien aan moeder,
Die ginds zoo eenzaam zat?

Hij kon geen wortel schieten,
Hij kwijnde in 't vreemde land.
Hebt ge ooit een lentestruikjen
In vollen bloei verplant?...

Ik keerde alleen hier weder;
Ik vond een ledig huis;
Mijn oudren liggen beide
Ginds onder 't zelfde kruis!

De wijngaard schiet zijn ranken;
Der koeien drinkput is
Volgroeid met blaân en biezen
En buigend oeverlisch.

Het fruit rijpt op de boomen
En schittert in den top,
En, valt tot vóor mijn voeten:
Ik raap het niet meer op.

Daar staat mijn broeders gaanstok,
De mijne staat er bij;
Daar blijft een plekje ledig,
Aan tafel, naast mijn zij'.

'k ben heel alleen; 't wordt avond;
Ik zie den kerkhofmuur,
En rook mijn eenzaam pijpjen
Op 't grasplein voor de schuur.