Rosalie Loveling

Het bedelaarskind

De damp steeg op en de avond zonk,
  De sneeuw lag langs de wegen;
En 't lichtjen op de molen blonk
  De arme knaap reeds tegen.
Hij ging naar huis, het was zo koud,
De gure winter blies door 't woud.
Ginds rijst zijn dorpje reeds omhoog,
  Hij zag het kerkje weder;
Maar tranen glommen in zijn oog,
  Het arme kind zonk neder:
De knaap was moê, het dorp nog ver,
En ginder blonk de avondster.

Waar of het knaapje blijven mag?
  Wie zal zijn moeder troosten?
Een dag verging, een andre dag
  Rees op in 't scheemrend oosten;
En bij het klimmen van de maan
Vond men een lijkje op de baan.

Wie had het arme kind gedood,
  Dat daar was ingeslapen?
Zijn handjen en zijn kleed was rood,
  Bloed kleurde hem de slapen:
Men zag de sporen van een hond,
Een voetstap, die er nevens stond.

Wanneer nu 't najaar woedt door 't woud,
  Hoort men niet als voorhenen
Het jachtroer door het kreupelhout:
  De jager is verdwenen;
En in het wintrig jaargetij
Slaapt 't haasje in zijn leger vrij.

En menig jaar is sinds vergaan,
  Geen mens meer, die 't zou weten:
Het smalle terpje is plat gegaan,
  En 't knaapje is vergeten.
Het voorjaar, dat op 't grafje bloeit,
Heeft 't bloedig plekjen overgroeid.