Rosalie Loveling

Beloften en bedreigingen 1873, uit: Polydoor & Theodoor en andere Novellen en Schetsen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever, 1883

1e gedeelte

Heel de familie gaat uit: Vader, Moeder en de vier kinderen. Op de laatste wandeling zijn de jongens stout geweest, en hebben nu moeten beloven gehoorzaam te zijn en zich wijs te gedragen; anders mochten ze niet mede.

Beloften kosten niet veel aan de kinderen, en zij weten, hoe weinig, over 't algemeen, de bedreigingen hunner ouders te beduiden hebben. Zeg maar aan eenen kleinen guit van zes of zeven jaar, dat hij nooit meer met u zal meegaan, indien hij niet gehoorzaamt, hij zal er zich niet aan storen; hij weet beter dan gij zelf, wat rekening hij maar van zulke bedreigingen houden moet. Het is verwonderlijk hoeveel ondervinding een kind van zeven reeds heeft!

Het weer is heerlijk en de kinderen voelen zich gelukkig en vrij in het open veld. Maar nu is het nog niets, ofschoon op zulke wandelingen voor hen altijd iets lekkers volgt; toekomenden zondag zal 't nog heel anders zijn. Dan gaan ze allen den dag op het buitengoed van Oom overbrengen, en hij heeft hun beloofd met hen eenen grooten toer op 't water in zijn stoombootje te doen. Hij houdt niet bijzonder veel van kinderen; maar daar hij gehoord heeft, dat de beide knapen goed geleerd hebben, wil hij hun eene belooning geven. Zij zijn er nog nooit geweest. Het is een oude man en een geleerde, de Oom hunner moeder. Zijn kasteeltje schijnt hun als eene tooverwereld: daar is een microscoop en eene electriseermachine, een windgeweer, een verrekijker, eene levende schildpad, en och! nog zooveel dingen meer, waarvan moeder hun vertelt, en die ze nooit gezien hebben.

De kleine meisje luisteren niet, en zijn vooraangeloopen met het kindermeisje om eenen tuil korenbloemen en roode kollebloemen te plukken. Moeder wordt gewaar, dat ze in het korenveld veel verwoesting aanrichten, en zendt de knapen zeggen, dat zij hun verbiedt het koren plat te loopen; maar de jongens vinden dat heel plezierig en beginnen nu ook bloemen af te trekken en korenaren uit te rukken. Vader zegt hun, dat ze zoo iets niet mogen doen, dat zij geen enkel korenaarken kunnen maken, en dergelijke dingen meer, waarop de kinderen geen acht geven. Moeder verbiedt het hun ook en verklaart, dat ze nooit meer met haar zullen meegaan. Zij luisteren nauw en beginnen een eindje verder opnieuw. Daar vader ziet, hoe weinig indruk zijne woorden maken, loopt hij hen na om het hun te beletten. Zij vinden het hoe langer hoe vermakelijker; het wordt een strijd, een spel. Hij kan ze niet krijgen; want ze kunnen sneller loopen dan hij. Op het oogenblik, dat hij ze gaat vastgrijpen, springen ze weg. Hij voelt zich belachelijk en wordt kwaad. Hij bedreigt hen, ze voortaan alleen thuis te laten. Hij zegt en herhaalt, dat hij ze zondag naar Ooms niet zal medenemen.

Ware het niet veel eenvoudiger geweest aan de knapen te zeggen: "Indien ge nog een enkel korenaar uitrukt, zend ik u op staanden voet naar huis.'' Die bedreiging ware gemakkelijker uitvoerbaar geweest en zulk eene les zou voor een kind niet verloren zijn. Waarom ontdoen de ouders zich niet van de dwaze gewoonte te beloven of te bedreigen, waar ze zouden moeten loonen of straffen? Waarom al die woorden, en vooral waarom altijd de kinderen met straffen bedreigen, die, indien ze uitgevoerd wierden, veel te groot zouden zijn voor de misdaad?