Rosalie Loveling

2e gedeelte Beloften en bedreigingen

Een eindje verder komen zij aan den boord van 't water. Daar staan zij allen omhoog aan den steilen oever der vaart, en bewonderen de schoone witte bloemtrossen van den geurigen wilden olm, die dicht aan 't water groeit. De oudste schiet als eene zwaluw langs het slibberig gras naar beneden. Moeder en 't kindermeisje roepen hem tevergeefs toee, dat hij moet bovenkomen; hij hoort haar niet; hij heeft de bloemen reeds vast. De andere drie klappen in de handjes en moedigen hem door hunne toejuichingen aan. Vader is hem nagesprongen, en heeft hem met geweld bij den arm weer omhoog gesleurd; maar daarbij is hij zelf over eenen molshoop gestruikeld, en zijne frissche zomerbroek is aan de knieën gansch bevuild.

Vader is ten uiterste ontevreden, en beweert, dat hij woord zal houden, en dat de knapen zondag naar Ooms niet zullen gaan, dat zij het eens zien zullen, of hij zijne bedreiging niet zal uitvoeren, dat het zelfs, alof ze heel de week braaf en gehoorzaam waren, niet meer helpen zou.

Zij gaan zwijgend vooraan, en in hun jong kopje werkt hun kinderbrein, "Vader zal ons ten laatste toch laten meegaan," komt altijd en altijd weder.

De jongste knaap, die zich moeielijk stil houden kan, heeft nu een keitje in het oog gekregen, dat hij voortschopt en dat dus altijd voor zijne voetjes danst. In zoo iets is er toch wel geen kwaad; maar de kinderen hebben Vader boos gemaakt, hij belet den knaap zijn onschuldig vermaak, en geeft nu zelf aan het steentje eenen schop, dat het in 't water valt. Het is erg, wanneer de ouders ongelijk hebben tegenover hunne kinderen, en hoe gauw voelen deze laatsten dat niet!

Zondag, hebt ge gezeid, zullen uwe knapen naar Ooms niet meegaan. En ze zijn heel de week werkzaam geweest, en ze hebben zoo vriendelijk met u gepraat, en uwe gramschap is lang over, en ze hebben opgeteld, hoeveel maal ze nog slapen moesten, aleer hun stoomboottoertje te doen, en zult gij nu den moed hebben ze thuis te laten. Neen, dien hebt ge niet, en het spreekt te uwer eer: eene lang uitgestelde straf gelijkt aan eene veroordeling, aan eene wraakneming. Gij moogt uwe kinderen niet leeren wreed zijn; maar gij zijt wel zeer onvoorzichtig geweest in uwe bedreigingen.

Nu is het zondagmorgen. De kinderen staan gereed; zij hebben hun beste pakje aan, ze weten wel, dat ze meegaan; maar zij houden zich stil en spreken niet.