Rosalie Loveling

laatste gedeelte Beloften en bedreigingen

Gij zijt een beetje beschaamd over uwe zwakheid en verlegen tegenover uwe knapen. Het rijtuig staat aangespannen, en Moeder, die het met u eens is, vraagt, of de jongens ook mogen meegaan? Zij verzekert, dat zij het nooit meer zullen doen, en heel wijs en voornaam zullen zijn. Gij aarzelt en zegt "neen,'' om uw gezag te doen gelden. De knapen zien elkander schalks aan, maar de kleine meisjes, die het ernstig opnemen, beginnen te schreien en te smeeken, en Moeder doet de jongens vergiffenis vragen, en ze gaan mee.

Wat moeten ze uit dit alles besluiten? Dat gij van hen telkenmale gij er mede uitgaat, beloften eischt, die zij nooit moeten nakomen, en dat ze zich ook de verveling dienen te getroosten, uwe bedreigingen aan te horen, zoodra zij iets doen, dat u mishaagt. Dat er verder niets van komt, weten ze.

Bij Oom aangeland, worden de jongens op hunne beurt eenigszins verlegen. Indien Moeder hem eens het gebeurde vertelde, zooals ze bedreigd heeft te doen! Neen, kinderen, daar hoeft ge niet bang voor te zijn. Vader en Moeder spreken met lof van u. Gij zijt heel brave kinderen, die goed leert, beter dan degenen, die ouder zijn dan gij; uwe meesters loopen hoog op met u en hebben u nog nooit moeten straffen.

Dat hoort Oom gaarne; bij het nagerecht drinkt hij op uwe gezondheid, en belooft u, indien gij een der vier eersten uwer klas zijt, u naar de Grot van Han te leiden, en u bovendien, aangezien ge er zoo op gesteld schijnt, eenen microscoop te koopen. Oom zal die belofte, oprecht maar lichtzinnig gedaan, vergeten, gij -- nooit.

Van dien dag aan droomden de kinderen van niets anders meer dan van den microscoop. De dag der prijsuitdeeling kwam; ze waren de eersten hunner klas. Oom was daar. Had hij den microscoop meegebracht? Moeder waagt eens heel zachtjes te zeggen, dat ze gelooft, dat de beloofde belooningen aan den goeden uitslag niet vreemd zijn geweest. Oom herinnert zich nu het reisje naar de grot en den microscoop, en om te ontwijken, -- "Ja" zegt hij, "inderdaad, maar ik zal liever met hen later eene veel schoonere reis doen, uitgesteld is niet verloren, ze zullen met mij naar Zwitserland gaan, en de microscoop, zal er ook komen, ik mag het niet vergeten."

De kinderen zijn naar Zwitserland geweest, twintig jaar daarna, als Oom dood was, en hebben zijnen prachtigen microscoop geërfd; maar hoeveel meer genoegen en hoeveel meer goed hadde het hun gedaan, indien hij, getrouw aan zijne belofte, hen naar de grot van Han had geleid, en hun eenen kleinen microscoop gekocht had, als ze tien jaar oud waren!