Rosalie Loveling

Het lied des blinden uit: Gedichten, 1870

Als ik het avondklokje hoor,
Zie 'k als in sluimerdroomen
Het dorpje dat ik lang verliet,
De kinders aan den zilvervliet,
En de oude wilgeboomen.

Ik zie de poorte der kapel,
Met haar verroeste staven;
In 't scheemren van het avonduur
De zarken aan den kerkhofmuur,
De kruiskens op de graven.

Dan zie ik nog de doornenhaag
Die vader 's zomers scheerde,
Het eikje van den wegeling,
Waar ik mijn moeder tegenging,
Toen ze uit het kerkje keerde;

En hoe mij aan den waterkant
Mijn zusterken verbeidde,
En hoe heur schaûw in 't water hing,
Wanneer zij over 't brugsken ging
Van 't beekje door de weide.

En hoe zij weder henenliep,
Toen moeder haar kwam wenken.
Hoe klopte dan mijn hert zoo ras,
Als ik haar nageloopen was!
Thans klopt het bij 't herdenken.

Wij gingen in den herfst te zaâm
De gele blaâren rapen;
En wij vergaârden er een vracht
En op den weg en uit de gracht,
Om 's winter op te slapen.

En kwamen wij met 't mutsaardhout
Ons stille dorpken nader,
De grauwe molen wonk ons toe,
En was mijn zusterken te moê,
Wij rustten er te gader.

Het arme kind slaapt reeds zoo lang,
Bedekt met bloem en zoden;
En vader ligt niet ver van daar;
Mijn moeder ook slaapt menig jaar
Den langen slaap der dooden.

Het noodlot rukte ons al vaneen,
Gelijk de najaarsvlagen
Verstrooiden uit elkaâr de blaân,
Die op hetzelfde takje staan
In zoete lentedagen.

Ik kan mijn dorpje nooit meer zien,
Noch 't geel en wassend koren;
Noch hoe de zon door 't loover glanst,
Noch hoe in 't rimplig water danst
De schaduw van den toren.

Och, 'k smeek toch daaglijks God den Heer,
Dat hij mij, armen blinden,
Dan weg naar 't dierbaar vaderland,
Met d'eikstaf in de onzeekre hand,
Nog eens terug laat' vinden.