Rosalie Loveling

De Gouden Bruiloft uit: Gedichten, 1870

Twee kinders uit éen dorpje:
Zij gingen school te gaâr;
Nu was 't hun gouden bruiloft;
Zij zaten naast elkaâr.

En nicht en neven kwamen
In bonten feestdos uit,
Des bruîgoms oude zuster,
De broeder van de bruid.

Hij streek zijn zilvren lokken,
En zegde stil tot haar:
"Zoo zaten we aan ons bruiloft
"Met wit gepoederd haar."

En de oude vrouwe lachte,
En zeî aan d'ouden man:
"Dat is zoo lang geleden,
"En weet gij daar nog van?"

Zij zaten aan de tafel,
En zang en kout begon;
Zij zong het oude liedjen,
Het éenig dat zij kon.

Zij zong niet luid, niet helder:
Zij zong alleen voor hem;
Was 't de ouderdom die beefde
In hare trage stem?

Een traan zwol in zijne oogen,
Hij glimlachte, en hij dronk.
Hij dacht aan 't kleine meisje,
Dat ze eens in slaap zoo zong!

Och! 't was hun eenig kindje,
Het groeide in schaatrend spel --
Het is zoo lang geleden,
En 't heugt hem nog zoo wel.

Op zijne knieëen zat het,
En speelde met zijn ring,
Of met de gouden keten,
Waaraan zijn' uurwerk hing.

En vader lachte, en moeder
Zeî dat hij 't kind bedierf;
De koorts kwam in de woning:
Het kleine meisje stierf.

Toen gaârden zij zijn kleedjens
En 't kinderspeelgoed op:
Een paar versleten schoentjes,
Een valhoed en een pop.

Daar lag 't gesloten grafje,
Daar stond het kleine kruis,
En vader zat bij moeder,
En 't was zoo stil in huis!

En lange, lange jaren
Zijn sedert heengegaan,
En andre houten kruiskens
Op kindergrafjes staan.

Nu was 't hun gouden bruiloft;
De gasten waren heen,
En de oude vrouw zat weder
Met d'ouden man alleen,

Alleen na vijftig jaren.
Waaraan dacht de oude man?
Wat dacht zijne oude huisvrouw?...
Daar spraken zij niet van.