Rosalie Loveling

De Doodstraf 1864

Zij kwamen hem wekken te middernacht.
- Hij ademt zoo kalm en hij slaapt zoo zacht.

Zij zagen die rust op de ruwe spond;
Zij riepen hem driemaal voor hij het verstond.

Hij opende de oogen en zuchtte zoo diep,
Hij wist het, het was de dood, die hem riep.

Het was een klare zomernacht.
Zij hadden hem liever genade gebracht.

Zij lazen, ontsteld, hem zijn vonnis af;
Met gebogen hoofd hoorde hij zijne straf.

Hij was nog zoo jong, en de doodslaap is lang.
Zijn laatste morgen brak aan in 't gevang.

De priester wees hem op het heilige kruis.
Hij had nog zijn' moeder en zusterken t'huis.

Hij heeft tot den dood zich gelaten bereid,
En dank en vaarwel aan zijn wachters gezeid.

De wet veroordeelde hem ter dood,
Zijn genade verwierp de koning groot.

De wachters zeiden: "wij willen hem wel
Gebonden brengen uit zijne cel."

De grafmaker zei: "ik wil zijn graf
Wel delven, hij heeft verdiend zijne straf."

En 't karreken voor de poort zegde stil:
"En ik naar 't schavot hem wel voeren wil."

Ginds stond de beul, omhoog, alleen;
Zij brachten er den gevangene heen.

Hij zag hem aan van - naderbij -
"En ik, ik wil hem niet dooden!" riep hij.

De menigte juichte om dat vroom gemoed.
Zij waren niet dorstig naar zijn bloed.

Wat ware uw doodstraf, o maatschappij,
Indien alle beulen eens waren als hij?