Rosalie Loveling

Te gemoet gaan uit: Gedichten, 1870

Moeder zag het kind verkwijnen,
't Ging sinds lang naar school niet meer,
Maar zat treurig gansche dagen
Bij het open venster neêr.

Buiten speelden zijne broêrkens
Met den handboog en den top,
Of zij staken langs de duinen
Hunnen grooten vlieger op.

Dáár zat 't kind steeds in zijn leunstoel
Bij het venster in den hoek
Traag de blaadren om te keeren
Van het oude prentenboek.

't Knaapje zag de blauwe golven,
En dan weêr zijn moeder aan,
En de schuitjes gaan en keeren
Langs de wijde waterbaan.

't Vluchtig blosje schittert weder
Voor een poosjen op zijn wang,
Zoo als najaarswolken gloeien,
Na den zonnenondergang.

"Moeder mag ik ook gaan varen?
"Och, doe mij mijn schoentjes aan!
"Laat mij roeien in ons schuitje,
"Laat ons vader tegengaan!"

Moeders oog schoot vol van tranen,
Och, haar herte brak van rouw,
Als het knaapje vroeg of vader
Niet haast wederkeeren zou?

't Sloeg de handjes smeekend samen,
't Koortsvuur glinsterde in zijn oog,
Even als in koude nachten
De avonster aan 's hemels boog.

"Morgen, kind, zal vader komen:
"Koek en speelgoed brengt hij meê,
"En gij zult in 't schuitje varen
"Met uw broêrkens op de zee."

"Morgen!" zei het kind; zijn broêrkens
Kwamen 's avonds weêr naar huis;
Moeder zwijgt, en zucht, en zegent
Ze op het voorhoofd met een kruis.

't Lampken brandt bij 't stervend kindje,
Dat nog maar een morgen wacht;
Beî zijn kleine broêrkens slapen,
En de zee huilt gansch den nacht!

"Moeder, leg mij weêr op 't kussen;
"Laat mij rusten, 'k ben zo moê!"
't Hoofdje zonk op moeders schouder,
En de dood look de oogjes toe!...

Moeder weent, de knaapjes spelen,
't Kind ligt in zijn kistje neêr,
't Wordt naar grafje heen gedragen,
En zijn vader komt niet weêr!

Nimmer zal hij huiswaarts keeren:
Gansch zijn schip zonk in den vloed!
Moeder, moeder, wil niet weenen,
't Kind gaat vader te gemoet.