Rosalie Loveling

De Genezing uit: Gedichten 1870

Zij stond voor den grooten spiegel
En lachte haar beeltnis aan;
Zij had haar zijden kleedsel,
En haar parelsnoer aangedaan.

Zij waande zich genezen;
Haar wang was weder rood;
Zoo helder glansden hare oogen,
Zij vreesde niet meer den dood.

Och, jong verkwijnend harte,
Dat zich zoo gaarne bedroog:
't Was de koorts, die gloeide op haar' wangen,
't Was de dood, die blonk in haar oog!