Rosalie Loveling

De Grootvader uit: Gedichten, 1870

Hij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken
En stil en zwijgend nevens haar.

Zij wordt wel groot, maar is zoo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd:
-- Zoo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroegen dood mij werd ontroofd!

Dan lacht ze op hem met stillen weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt
En denkt: hij zal niet lang meer leven:
Hij wordt zoo stram, hij is zoo oud!

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zoo diep beducht thans voor elkaar --
Het meisjen in den bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar?