Rosalie Loveling

De Hond uit: Polydoor & Theodoor en andere Novellen en Schetsen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever, 1883

1e gedeelte

De herder stond bij zijnen ouden hond, die op den boomgaard dood lag, terwijl de stalknecht voor hem eenen put op 't grasplein maakte. Hij beroerde dien een laatsten maal met den voet, aleer hij met de kudde en zijnen nieuwen plaatsvervanger vertrok en sprak: "Van hem kan men zeggen, dat hij zijn brood niet in luiheid gegeten heeft.'' Dat was zijne lijkrede, en eene schoone lijkrede was het.

Zoo ooit het plichtgevoel, het besef der verantwoordelijkheid, die men draagt, de wakkerheid van den geest, de oplettendheid op 's meesters bevelen u uit een verstandig oog tegenstraalt, zoo is het wel uit dat van den schapershond. Dat is de gewetensvolle arbeider, die begrijpt, dat hij zijnen tijd niet verliezen mag; die niet rust, aleer zijn dagwerk af is; die zich onderweg niet bezighoudt; die het oog op de hem aanvertrouwde kudde heeft; en deze gadeslaat en te zaam houdt, zonder dat ooit iemand hem hoeft gade te slaan: hij loopt rond en rond, hij schijnt onvermoeibaar, hij ziet niet nieuwsgierig op naar hetgeen er langs de straat gebeurt, en bekommert zich niet om de andere honden, die hij tegenkomt. Hij belet de schaapjes de veldvruchten te schenden en af te knauwen, zooals het hem geleerd is; hij laat hun niet toe over het grachtje te springen naar het teeder groen, dat hen aanlokt; hij verstaat, wat zijn meester wil, hij ziet het in zijn oog, en voert zijne bevelen uit. Dat is de trouwe dienaar, die van zijnen plicht doordrongen is, en hem nakomt.

Zoodra hij het gefluit zijns meesters hoort, spitst hij de ooren, den kop eenen oogenblik langs den eenen kant hellend, komt toegesprongen en blijft staan, als wilde hij zeggen: "Hier ben ik, wat beveelt gij?'' want hij weet genoeg, dat deze hem enkel roept, wanneer hij hem noodig heeft. De herder maakt zijnen hond aan geene streelingen gewoon, en hier tusschen meester en knecht openbaart zich de wederzijdsche verkleefdheid door daden alleen.

De schapershond werkt en zwoegt in zomerhitte en winterkoude; de herder zorgt van zijnen kant, dat er zijnen bediende een versterkende maaltijd toegediend wordt, dat hij van geenen dorst te lijden heeft, en de noodige uren rust bekomt om weer krachten te verzamelen voor den arbeid van den volgenden dag. Zij slijten hun leven saam, zij arbeiden saam, zij zijn meest altijd te zamen alleen in het open eenzaam veld, en hebben over elkaar niet te klagen; ook moet ge niet gelooven, dat zij elkaar niet liefhebben, al leven zij op geenen gemeenzamen voet met elkaar.

Hoe schoon in eenen zekeren zin, hoe vlijtig, hoe moedig is de schapershond! wat eene weinig zelfzuchtige natuur bewijst hij te bezitten! Maar zijne schoonheid is enkel die van den geest; zij schittert in zijn diep, eerlijk oog; zij straalt u tegen uit zijne vlugge, behendige bewegingen. Hij is heel zijn leven de trouwe gezel van den herder, en als hij dood is, kan deze van hem met recht zeggen, dat hij zijn brood niet in luiheid gegeten heeft.