Rosalie Loveling

2e gedeelte De Hond

De trekhond, de jachthond, en de boerenhond kunnen ook voor nuttige dieren doorgaan: de trekhond is zelfs onontbeerlijk voor den kleinen rondleurder, voor den konijnenkoopman, voor den geringen winkelier, en vervangt den ezel of het paard, voor den kleinhandelaar, welke zijne middelen hem niet toelaten te houden. Maar de trekhond wordt als een soort van slaaf behandeld. Het is pijnlijk om te zien, hoe deze aangespannen wordt, en soms meer moet doen dan hem zijne krachten toelaten.

De jachthond is een prachtdier evenals het rijpaard, en enkel in het bereik van den begoeden jager; aan dezen bewijst hij diensten; hij helpt hem het wild opspeuren en brengt het tot aan zijnen voet. Maar het onderhoud van den jachthond is geene kleine zaak.

Wat den wachthond betreft, dien kan men gedoogen, aangezien de boer hem noodig heeft; maar moet men niet bekennen, dat het een weinig sympathiek dier is?

Ga eens een boerenhof op, de hond, die bij dag op den band ligt, zal u hoogst onaangenaam door zijn geblaf verontrusten, en zich pogen los te maken om u te bijten. De huisgenooten zitten binnen achter de ruiten, en geven zich zelfs de moeite niet om tot in het deurgat te komen, ten einde het dier te stillen, en u te verzekeren dat er geen gevaar is. 't Is mogelijk, dat hij goed vastgebonden ligt, en zijne keten niet zal kunnen afspringen; maar het is toch voor den vreemdeling iets onrustwekkends dat dier zich te zien kwellen, en kronkelen, en al zijne krachten inspannen, om hem te kunnen aanvallen. Bij nacht wordt de keten losgemaakt, en de hond bewaakt de hoeve; indien hij dat niet deed, weet ik niet, waarom men hem dulden zou.

De mensch is er aan gewoon met eene soort van bewondering over de gaven van den hond uit te weiden, er is zelfs een schrijver, die het zoo ver heeft gedreven te zeggen, dat hetgeen de mensch het edelst bezit, dát is wat hem het meest op den hond doet gelijken. Is zulks niet een weinig te verre gaan, en wordt de hond door den mensch over 't algemeen niet te hoog geschat?

Zij die van de zeldzame natuurgaven van den hond gewagen, bedoelen voorzeker den huishond: deze categorie bevat al de honden, die op eenen vertrouwelijken voet met den mensch leven, van aan den grooten Nieuwlandschen hond, wiens onderhoud zooveel kost als dat van eenen volwassenen mensch, tot aan den kleinen épagneul, die meer kost door al de lekkernijen, die hem toegediend worden, dan een arm kind in zijn ouders huis.

De mensch schijnt eene bijzondere genegenheid voor den hond te hebben: hij verkiest hem boven alle dieren, en het is wellicht uit eene soort behendigheid, dat hij dezes gaven meer roemt dan billijk is, om zich te ontschuldigen zulk een onrein, gevaarlijk dier in zijne vertrouwelijkheid te gedogen. De olifant, de beer, de aap kunnen toeren leeren evengoed als de hond.