Rosalie Loveling

Het houtrapertje

De winterwind blies feller
    Uit 't woeste noordenwest,
En wiegde in hoge bomen
    't Verlagen eksternest.

De knaap kroop in de abelen,
    Bij d'enggevroren vliet,
De laatste blaren zonken
    In 't suizend overriet.

Het knaapje lachte zoeter:
    Hij zag zijn huisje staan,
En voelde 't jeugdig harte
    Van moed en hope slaan.

Hij kraakt en knakt de takken
    En werpt ze van omhoog;
De wind blies 't arme knaapje
    De tranen in het oog.

Haast zal hij wederkeren
    Met zijn bussel hout,
En 't krakend vuur onsteken:
    De winter is zo koud.

Hij kruipt en klimt nog hoger,
    En kloutert naar de top;
Zijn voet schiet van het takje:
    Hij steeg zo stout er op!

Hij tuimelt bij de oever
    Op d'ijsvloer van de beek;
Zijn bloed kleurt 't blonde lokje,
    Zijn lipjes worden bleek.

Het strekt zich in de biezen,
    Het kind als ware 't moe;
De dood rilt over 't knaapje,
    En luikt zijn oogjes toe.

Zijn moeder zocht des avonds,
    Waarheen hij was gegaan;
Zij zag er nog zijn stapjes
    In 't pad bevroren staan.

Men zocht, men vond het lijkje,
    Men droeg het door de mist...
De moeder zette 't lampje
    Bij de enge kinderkist.

En 's anderdaags, voor eeuwig
    Droeg men haar zoontje heen.
De droeve moeder keerde,
    De moeder was alleen.