Rosalie Loveling

Iets over het onderwijs der vrouw 1871, uit: Polydoor & Theodoor en andere Novellen en Schetsen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever,1883

1e gedeelte

Er komt een treurig tijdstip in het leven der vrouw, dát wanneer haar zoontje begint te zien, dat zij onwetend is. Het kind is nieuwsgierig en weetgierig van aard en het is tot zijne moeder, dat het de gewoonte heeft zich te wenden om alles te vragen; zij is het, die hem zegt, dat het vogeltje uit het ei komt, dat het rupsje een vlinder wordt, en dat de bijtjes den honig uit de bloemen halen.

Als de knaap grooter is, brengt hij wel eens zijne moeder in verlegenheid. Hij vraagt haar, waarbij het komt, dat de vensterruiten soms met damp overdekt worden; waarom een stok gebroken schijnt, als men hem in 't water steekt; en wat het is, dat de voorwerpen, die men op eenigen afstand ziet, ons veel kleiner doet voorkomen dan zij in de wezenlijkheid zijn.

Moeder antwoordt, dat hij zulks best aan Vader zou vragen, dat zij het niet weet, aangezien men zoo iets aan de vrouwen niet leert. En dit is ook waar; zij weet het niet, enkel omdat men het haar niet geleerd heeft, en geenszins omdat zij zoo iets niet leeren kon.

Hoe grooter de knaap wordt, hoe meer hij ondervindt, dat er veel dingen zijn, waarvan zijn moeder niet de minste kennis heeft. Teleurstelling volgt op teleurstelling. Het kind begrijpt, dat zij van nu voortaan zijn leermeester niet meer kan wezen, en daar zijn eigen oordeel nog niet gevormd is, gelooft het de treurige ontdekking gedaan te hebben, dat Moeder dwaas is en het schaamt zich over hare onwetendheid. Vandaar die onverdiende minachting, welke jonge schoolknapen niet zelden voor hunne moeders en zusters opvatten, en die met hen opgroeit.

Wie kent er van die jonge pedantjes niet, die zich ver boven hunne moeders en zusters wanen, omdat deze geen Latijn verstaan en geen Grieksch geleerd hebben? De knaap heeft het Grieksche Alphabet leeren schrijven en gelooft die taal machtig te zijn, omdat hij eene Grieksche spraakkunst en eenen Homerus onder zijne schoolboeken telt.

Als het hem wel eens gebeurt, dat een jonger broertje iets aan Moeder vraagt, haalt de groote de schouders op, alsof hij zeggen wilde: "Vraag dat liever aan Vader of aan mij.'' En niet alleen hij zelf, maar ook zijne zusters, die twee, drie jaar ouder zijn, beschouwen hem als eenen phenix en hooren hem met bewondering aan, als hij het in het hoofd krijgt haar een brok uit Vergilius te reciteeren, of zijne eigene Latijnsche verzen op te zeggen, waarvan zij geen woord verstaan.

Indien het den vrouwen vergund ware dezelfde leergangen als de manenn te volgen, zou men er van beide zijden enkel kunnen bij winnen, de jongelingen zouden niet zoo verwaand, de meisjes niet zoo ijdel noch zoo onwetend zijn.