Rosalie Loveling

2e gedeelte Iets over het onderwijs der vrouw

Waarom dat groot verschil in de opvoeding van den knaap en die van het meisje? Volgens alle billijkheid heeft eenieder recht zijnen geest te ontwikkelen in zoo ver zijne natuur hem zulks toelaat. Waarom laat men de eene helft eener natie in onwetendheid opgroeien, terwijl men alles doet wat mogelijk is, om aan de andere hare volle ontwikkeling te geven?

In de Kamer der Volksvertegenwoordigers is er gezegd, dat de vrouwen niet heel en gansch mogen verwaarloosd blijven, dat zij ook eenigszins deel moeten nemen in het geestesleven; maar dat hare geleerdheid niet te ver mag gaan, dat meisjes geene geleerde vrouwen mogen worden. Waarom mogen zij dat niet, en waarom dien naam als eenen schimpnaam aanzien? Eene vrouw is nooit belachelijk, omdat zij te veel weet, maar wel, omdat zij soms verwaand genoeg is zich in te beelden, dat zij voor eene geleerde kan doorgaan. Hare onweetendheid, niet hare kundigheden zijn schuld daaraan.

Kan men beweren, dat een jong meisje in de aardrijkskunde en de vaderlandsche geschiedenis hoeft onderwezen te worden, en daarbij een aantal vreemde talen aanleeren moet, maar dat ze zich belachelijk zou maken, indien ze dan hare geleerdheid nog voor onvoldoende dorst aanzien en die wenschte voort te zetten? Overigens, indien men geraadzaam vindt aan de geleerdheid der vrouw eene grens te stellen, wie zal daarmede gelast wezen? Zal het ene bisschop of een minister zijn, die zal vaststellen, waar eigenlijk hare geleerdheid belachelijk wordt?

Zal de kunst haar ontzegd wezen; zal men de poort der wetenschap voor haar gesloten houden, of haar die met een spleetje openen?

Wat kwaad ware er in gelegen, indien de zuster goed genoeg geleerd ware om haren broeder te verstaan, als hij Vergilius of Homerus leest? Mannen en vrouwen zijn bestemd om te zamen te leven: ware het niet wenschelijk hun dezelfde opvoeding te laten genieten?

Men heeft zich, eenigen tijd geleden, met de quaestie beziggehouden, of er niet eenige veranderingen hoefden toegebracht te worden aan het programma, dat tot dusverre in de athénées gevolgd wordt. Men heeft zich gevraagd, of een jong mensch, die zijne humaniora doet, geen nuttigere dingen zou kunnen leeren dan het vervaardigen van Grieksche thema's en Latijnsche verzen. Wij zullen hier niet onderzoeken, wat een jong mensch eigenlijk het best zou leeren, wij willen alleen den wensch uiten, dat men aan de meisjes hetzelfde leere als aan de jongelingen. Zoolang de studie van twee doode talen voor de eenen goed gevonden wordt, zal zij ook voor de anderen niet nutteloos zijn.

Men vindt er die den geest der vrouw met allerlei kundigheden zouden willen versieren, en deze beklagen het, dat er voor haar geene universiteiten, gelijk als voor den mannen, gesticht worden. Wat zou dat baten, als men hare kindsheid verwaarloosd heeft? Indien van morgen af de deuren van onze hoogescholen voor de vrouwen geopend wierden, wie van haar zou de leergangen kunnen volgen? Er hoeven studiën vooraf te gaan om van de lessen der hoogeschool gebruik te kunnen maken.