Rosalie Loveling

laatste gedeelte Iets over het onderwijs der vrouw

Er is, wel is waar, geene wet, die de vrouw verbiedt haren geest te ontwikkelen. Het staat haar vrij alles te leeren, waartoe zij lust of bekwaamheid heeft; maar moet men niet bekennen, dat zij zich in de onmogelijkheid bevindt zulks te doen? Indien een vader geraadzaam vond aan zijne dochter eene classieke opvoeding te geven, evenals aan zijne zonen, hoe zoude hij dat tot stand kunnen brengen? Hij zou genoodzaakt zijn voor het meisje eenen professor voor ieder vak in het bijzonder te doen komen, en gevolgelijk zou hij daartoe overgroote sommen moeten besteden: er valt dus niet aan te denken.

Ware het niet rechtvaardig de vrouw in de gelegenheid te stellen haren geest te oefenen, en ware niet het beste daartoe het oprichten van Meisjes-gymnasiën, waarin juist hetzelfde programma als dat voor jongens zou gevolgd worden, en waarvan de leeraars en leeraressen zouden genoodzaakt zijn dezelfde proeven van bekwaamheid te leveren, die men nu van degenen eischt, welke zich tot leeraars van het middelbaar onderwijs bestemmen?

De mannen klagen wel eens, dat jonge meisjes, en zelfs vrouwen, die tot eenen rijpen leeftijd gekomen zijn, zich enkel met beuzelarijen bezighouden, en over niet spreken kunnen tenzij over toilet en haartoisel. Aan wie de schuld? De geest, waaraan alle ernstige bezigheid ontzegd wordt, moet zijne krachten wel ergens aan besteden en is gedwongen zich met beuzelingen tevreden te houden.

Voor zekere klassen der maatschappij zijn de leergangen der humaniora als het dagelijksch brood, dat aan allen uitgedeeld wordt. 't Is om het even voor wat vak de jongelieden zich bestemmen, Zij gaan door die klassen. Het is enkel aan de hoogeschool, dat hunne wegen beginnen uiteen te loopen. Deze wordt ingénieur, gene advocaat, een derde geneesheer, een vierde doet geen universitaire studiën. Waarom zou de vrouw, voor het algemeen bestemd om huisvrouw en huismoeder te worden, die kostbare jaren, die de kindsheid van het huwelijk scheiden, niet besteden tot het aanwinnen van kundigheden, die haar levenslang tot nut en sieraad zouden verstrekken?

"Maar," zegt men, "als het meisje studeert gelijk een knaap, wanneer zal het tijd vinden om handwerk te leeren?" Op school worden de jonge meisjes in het maken van allerlei fijne borduurwerkjes en tapisserie onderwezen; het nuttig handwerk leeren zij meest te huis bij Moeder; ook is daar veel min tijd voor noodig dan de mannen weten. De vacantietijd is daar lang genoeg toe. Overigens zullen de jonge meisjes er wel zelven voor zorgen daarin niet ten achteren te blijven. Het ligt in haren aard met de handen te willen werken; zij kunnen reeds naaien en breien, als zij nog met hare pop spelen.

Sommigen beweren, dat er dingen zijn, waarvoor de geest der vrouw niet vatbaar is, en wij gelooven het. Wij gelooven, dat zij het misschien in geen enkel vak zoo ver zou brengen als de mannen; maar dit is geene reden om hare opvoeding te verwaarloozen. Hoeveel jongelieden bevinden zich niet in hetzelfde geval? Maar wie zou het wagen hun te zeggen, dat zij van de studie moeten afzien, omdat hun geest te zwak is, en zij niet het zelfde nut als hunne meer begaafde makkers uit hunnen schoolgang kunnen trekken? De deuren der scholen staan open voor de weinig begaafden als voor de anderen.

Dat men tenminste de vrouw late beproeven, tot hoever zij hare geestvermogens ontwikkelen kan. Eenige jaren zullen genoeg zijn om te bewijzen, wat zij leeren kan, en waartoe haar verstand onvatbaar is.