Rosalie Loveling

De groote keizer uit: Gedichten, 1870

I

Daar was een groote keizer,
Hij zat op zijn hoogen troon,
Naast hem de keizerinne,
Aan zijn voeten hun jonge zoon.

Hij had een machtig leger, 
Waarop hij steunen kon;
De wapens blonken helder
En schitterden in de zon.

Hij droeg op het hoofd de krone,
In de hand den keizerstaf,
En zegde, dat hij den vrede 
Daardoor aan de volkeren gaf.

"Maar dat over mijne regeering
"Niet kome de minste klacht;
"Want," zegde de groote keizer,
"Gij kent mijn groote macht."

"Gij geeft mij uwe zonen,
Ik voer ze ten krijge meê."
En de ouders, die 't hoorden, beefden,
Maar bogen het hoofd gedwee.

Zij wisten dat hij er weinig
Van het slachtveld wederbracht:
Zijn stemme was de doodklok,
Die bromde over 't jong geslacht.

Daar stond zijn eigen zoontje
Aan de voeten van zijn troon,
Met oogjes vol van goedheid,
Zoo schuldloos en zoo schoon.

Hij toonde 't aan de volkeren:
"Dat is het zoontje mijn,
"De keizer van de toekomst,
"Dat zal uw meester zijn.

Hij hield, als een bedreiging,
Het breede zwaard ontbloot,
"En die het zou anders willen,
"Dien straf ik met den dood."

Zoo sprak de groote keizer
In al zijn overmoed.
Toen had hij 's Hemels zegen,
En de wereld aan zijn voet.

II

Zij brachten hem naar het verre,
Het verlaten eiland heen,
En liet hij zulks geschieden?
En is hij hier gansch alleen?

Eens ging hij zoo vertrouwend
Zijn sombre toekomst in.
Wat is van zijn zoontje geworden,
En wat van de keizerin?

Zijn oog zweeft op de baren,
Aan 't bruisende, aan 't wilde strand,
En kijkt nog in de richting,
Van zijn verloren land.

Dat is de trotsche keizer,
De groote wereldheer.
Wat hoopt hij nog van de toekomst?
Hij heeft geen toekomst meer.

En wat hij misdeed in 't verleden,
Dat heeft hem hier gebracht.
Zijn levensdag is ten einde,
Nu komt de sombre nacht.