Rosalie Loveling

Het oudste kind 1861

Zijn oog schoot weêr vol tranen,
Wanneer hij de handjes nam
Der moederlooze kinderen
En van de begrafenis kwam.

Toen sprak het elfjarig meisje:
"Och, ween niet, Vader, ik weet
Zoo wel van alle dingen,
Hoe dat het moeder deed."

Ze ging het lampken ontsteken,
En blies het houtvuur op,
En aan Vaders zondag-kleeding,
Naaide zij een nieuwen knop.

Ze ontkleedde dan haar broêrken,
En leerde 't zijn avondbeê,
De anderdaags was 't zondag,
Zij leidde 't ter kerke meê.

Zij deed haar geblonken schoentjes
En haar moeders mantel aan:
Hij sleepte voor haar voetjes,
Toen ze over den drempel woû gaan!

Wel lachten op straat de kinderen,
Maar zij was zoo wel gezind;
Want vader prees haar en zeide:
"Gij zijt een heel braaf kind."