Rosalie Loveling

De kleine luitspeler

't Arme kind was neergezonken
  Op de drempel der kapel;
't Was een knaapje teer en tenger,
  Nauw ontgroeid van 't kinderspel,

Dat alleen van dorp tot dorpje
  Doolde en strompelde in het rond,
Waar het knaapje niemand kende,
  Op een onbekende grond.

Niemand dan het stille maantje,
  Dat door vale wolken schoof,
En de schaduw deed bewegen
  Van het huiverende loof.

't Lampje blikte uit 't needrig kerkje
  Droevig op het droeve kind,
En het maaigras boog en beefde,
  In de koele avondwind.

't Siddren van de dichte blaren,
  En 't eentonig treurgezang
Van de krekels in de struiken
  Maakten 't arme knaapje bang.

Maar het kon geen stap meer verder,
  En het kreet zijn wangen rood,
Tot in de nacht, in zoete sluimring,
  Zijn tranende oogjes sloot.

't Morgenrood scheen op het klokje
  Van de stille heuveltop,
En de vroeg ontwaakte kinders
  Klommen naar 't kerkje op.

Men vond 't kind bij 't enge deurtje
  Met de handjes saamgevouwd,
En men voelde aan 't bleke knaapje,
  Maar het lijkje was reeds koud!...

Hoger rees de zomerzonne,
  Speelde en tintelde om de knaap,
Als wou zij hem weder wekken,
  Uit de zoete morgenslaap.

't Was een kind uit vreemde streken,
  Niemand wist hier wie hij was,
En men hief het killig lijkje
  Uit het vochtig heuvelgras.

't Kistje droeg men naar het kerkhof,
  Waar men d'afscheidszegen gaf,
En een zachte zomerregen
  Weende alleen op 't kindergraf.