Rosalie Loveling

Het maantje uit: Gedichten, 1870

De maan loopt door de wolken,
Zoo zachtjens en zoo snel;
De kindren komen buiten,
"O, knaapje, ziet ge 't wel?"

Toen stak het kleine knaapje
Naar haar zijne armkens uit,
En woû het maantje hebben,
En weende en schreide luid.

"Ik kan het u niet geven:
O, zoo ge later, kind,
Ook 't levensheil woudt hebben,
Dat men op aard niet vindt,

Denk dan aan 't zilvren maantje,
Dat door de wolken loopt,
En dat hij veel moet lijden,
Die op 't onmooglijk' hoopt."