Rosalie Loveling

Mijn verre neef 1874, uit: Polydoor & Theodoor en andere Novellen en Schetsen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever,1883

1e gedeelte

Ik had hem sinds jaren uit het oog verloren, mijnen verren neef: hij was heel jong naar Frankrijk getrokken, en had sedert nooit weer het vaderland bezocht; ook had onze briefwisseling aldra opgehouden, en ik moet bekennen, dat ik, tijdens het beleg van Parijs, er niet eenmaal aan gedacht had hem eene schuilplaats in mijn huis aan te bieden. 't Is waar, dat ik zijn adres niet meer wist; maar dat had ik mij wel kunnen bezorgen.

Ik kwam op eenen zondag namiddag met den trein van Kortrijk naar Gent terug, en bleef in het station eenen oogenblik met een avoué mijner kennis praten. Als ik buiten kom, zie ik iemand stappen in eene vigilante, tot boven toe met koffers en reiszakken beladen, en hoor hem mijn adres opgeven.

Ik spoed mij naar huis. Dat was een zonderling bezoek, en ik kon niet merken, wie het zijn mocht! Ik had ook bemerkt, dat er nog andere menschen in het rijtuig zaten. Als ik in mijne buurt kwam, zag ik den koetsier en eenen commissionaris het reisgoed in huis dragen, en werd gewaar, dat er tusschen den heer, dien ik in het station gezien had, en mijne oude dienstmeid eene woordenwisseling plaats greep. Eene dame en een kleine jongen, die ik mij niet herinnerde ooit gezien te hebben, stonden er bij en schenen niet te verstaan, wat er gezegd werd.

Ik zet nauwelijks den voet op mijnen drempel, of de vreemdeling valt mij om den hals, met de grootste teekens van vreugde, die men zich verbeelden kan. Hij noemt mij zijnen vriend, en zijnen neef; hij stelt mij zijn vrouw en zijn zoontje voor, en nu herken ik weder zijne trekken, en begrijp, dat hij zich oude vriend- en verwantschap herinnerend, uit Parijs met de zijnen bij mij gevlucht komt.

Ik moet bekennen, dat ik in 't eerste oogenblik een weinig verlegen en verbluft stond, en niet goed wist, wat ik zeggen of doen moest. Ik stamelde eenige woorden van beleefdheid aan de dame, dat ik verheugd was met haar kennis te maken, en ontschuldigde mij ook, zoo goed ik kon, hun niet geschreven te hebben, om mijn huis te hunner beschikking te stellen. Maar nu nam de dame het woord, en zegde mij, dat haar man nooit aan mijne vriendschap getwijfeld had, en zoo overtuigd was, dat hij met vrouw en kind bij mij de gulhartigste gastvrijheid zou vinden, dat hij zelfs verwaarloosd had mij van zijne aankomst vooraf kennis te geven.

Ik ga weer aan het stamelen, en bid mijne nieuwe vrienden mijn klein huis te willen voor lief nemen en zich zelven te aanzien, alsof zij te hunnent waren. Het speet mij hun niet geschreven te hebben; ik was waarlijk beschaamd: ik voelde, dat ik hen in den nood verlaten had. Ja, ik kan het niet loochenen: het eenzaam leven maakt den mensch toch zelfzuchtig. Mijn verre neef weet nog alles, wat wij ooit te zamen uitgedacht, uitgevoerd of uitgestaan hebben: hij heeft mij ook aanstonds herkend, en ik geloof, dat hij in mijne plaats heel anders dan ik zou gehandeld hebben; want het was altijd zulk een goede jongen.

Ik herstel mij ten laatste een beetje van mijne verwondering, en ga rond met het drietal. Mijn verre neef houdt niet op van praten: ik word gewaar, dat hij zijn lichtzinnig, vroolijk karakter behouden heeft, en ofschoon een vluchteling, zich niet in 't minste om zijnen toestand schijnt te bekreunen. Mevrouw is tevreden te zien, dat er boven op hare kamer vuur gemaakt kan worden. Ik heb maar ééne vriendenkamer; maar er is middel, zegt zij, in het kabinet daarnevens een bed voor de kleinen Noël te plaatsen.

Zij zijn aldra te mijnent tehuis, en op het avondmaal wordt er afgesproken, dat ik van 's anderendaags reeds mij bij den studieprefect van het Atheneum zal begeven, opdat Noëls leeren niet te lang onderbroken zij, en hij hier naar school zou kunnen gaan.