Rosalie Loveling

2e gedeelte Mijn verre neef

Mijne meid en de werkvrouw, die zij is gaan halen, dragen en sleepen boven al wat zij kunnen, en maken de kamers voor de nieuw aangekomenen gereed. Na het eten ontsteek ik mijne pijp, terwijl mijne vrienden mij van den toestand, waarin Parijs zich bevindt, vertellen. Ik denk er zelfs niet eenmaal aan te vragen, of de tabakrook de dame niet hindert. Ik merk op, dat zij haren man iets in 't oor fluistert: deze zegt mij ook aanstonds lachend en onbevangen in 't Vlaamsch:

"Hoor, vriend, ge wordt al stilletjes een oud jonkman, en men ziet wel, dat ge niet gewoon zijt met dames om te gaan. Mijne vrouw kan den reuk uwer pijp niet verdragen, en durft het u niet zeggen."

Ik doe mijne pijp uit, en vraag of ik eene sigaar mag opsteken en er hem eene aanbieden; maar hij rookt niet, en zegt, dat zijne vrouw het niet uithouden kan, wanneer er in haar bijzijn gerookt wordt. De dame fluistert hem weer iets in 't oor.

"Zij vindt het niet passend," zegt hij, met zijnen gewonen glimlach, "dat wij eene taal spreken, die zij niet verstaat, en zij bij gevolg geen deel aan 't onderhoud kan nemen."

Wij bedienen ons weder van de Fransche taal; maar ik kan mijne pijp niet vergeten. Ik vind een middel uit: Ik laat hen in de eetplaats zitten, steek eene sigaar op en wandel in de gang; alzoo kom ik van tijd tot tijd in 't deurgat staan, de sigaar achter den rug houdend, om het gesprek te kunnen voortzetten. Wat is het toch zulk een verslaafd rooker te zijn! De tabak drijft mij uit mijne kamer, en van mijne gewone plaats, waaraan ik houd. Het is de beste, ook heeft de vrouw mijns vriends er aldra bezit van genomen.

Noël speelt met mijnen hond; hij geeft hem suiker, trekt hem bij 't oor, en doet hem op zijne achterste pooten staan, en zit te schaterlachen, wanneer de hond naar het lekker springt, dat hij van tafel neemt en omhoog houdt. Men zou waarlijk niet zeggen, dat die lieden vluchtend en haveloos zijn. Zij schijnen zich te mijnent te vermaken en doen als tehuis.

Mijn vriend vraagt mij naar allerlei lieden, die hij in zijne jeugd gekend heeft. "Hoe zonderling," zegt hij, "als vreemdeling in zijne geboortestad terug te keeren."

Ik stel hem voor 's anderdaags morgens eens met mij naar het Café des Arcades te gaan. Daar aangekomen vraag ik twee glazen Madera: hij steekt haastig de hand in den zak; maar ik zal niet gedoogen, dat hij betaalt: hij is mijn gast, en ik geef aan den garçon een vijffrankstuk. Hij brengt de twee glazen wijn, en nevens deze op het schenkbord drie franken en twee halve franken. Mijn verre neef is zoo verstrooid en zoo medegesleept door zijne uitvallen tegen de Pruisen, dat hij de drie franken en eenen halven neemt, ze in zijne porte-monnaie steekt, en aan den garçon teeken doet, dat de overgebleven halve frank voor hem is.