Rosalie Loveling

3e gedeelte Mijn verre neef

Hoe zonderling, dat hij 't niet gewaar werd, dat het mijn geld was!

Mijn anders zoo stil jonkmanshuis is ten volle omgekeerd. Mevrouw komt zingend de trappen af, Noël trekt alle dagen naar school, juist alsof hij nooit elders gewoond had, en mijn verre neef leest de nieuwsbladen, doet lange wandelingen of zit tehuis te schrijven. Zijne vrouw ontvangt ook veel brieven. Mijn papier, mijne omslagen, en vooral mijne postzegels verdwijnen, dat gij er geen denkbeeld van hebt.

Mijne oude meid knort, dat zij 's morgens voor den eenen koffie, voor den anderen thee, voor den kleine chocolade gereed te maken heeft, en alle oogenblikken naar boven gescheld wordt door de Fransche dame. De dagloonster komt nu regelmatig alle dagen om mijne meid te helpen, en nog geraken beide vrouwen maar moeielijk door haar werk.

Mevrouw doet mij opmerken, dat er in Vlaanderen aan sommige woningen veel gerieflijkheden ontbreken, bij voorbeeld eene badkamer. Hoe ik zonder badkamer leven kan, begrijpt ze niet.

Mijne uitgaven zijn verdubbeld en verdriedubbeld: dat begint mij zelfs een weinig ongerust te maken; want mijn inkomen is beperkt, en ik geloof, dat het bezoek mijner vrienden een langdurig verblijf gaat worden. Overigens, ik heb hen gewoon gemaakt hun al de gemakken te verschaffen, die in mijne macht zijn: ik zou niet willen, dat hun iets ontbreekt; maar dat alles is oorzaak van vele onkosten.

Mevrouw gaat zelden met haren man mede wandelen. Zij vindt het zeer aangenaam eenen huurhouder nevens de deur te hebben, en zegt mij, dat het juist is, alsof ik een rijtuig en een paard heb, die mij toebehooren. Zij heeft een abonnement genomen, en rijdt bijna alle dagen uit. Er zijn in stad eenige dames harer kennis, die, evenals zij, bij hare verwanten eene schuilplaats zijn komen zoeken. Zulks maakt, dat haar leven te mijnent niet al te eenzaam is.

Ik word soms van den eenen of andere aangesproken, die klachten doet over Noëls straatschenderijen: mijn gebuur beweert, dat hij de gewoonte heeft, wanneer hij zich niet bespied weet, de ruiten van het glashuisje, dat aan zijne eetplaats grenst, met steentjes en keitjes aan stukken te werpen, en inderdaad, dat kan hij van uit het kabinet, waar hij slaapt. Het spijt mij, dat de geburen daarover te klagen hebben. Ik zelf heb veel spijt gehad, als hij mijnen schoonen, ouderwetschen porceleinen tabakspot omver geloopen heeft. Een Jood had er mij driehonderd frank voor geboden. Zijn ouders hebben er zich ook verdrietig in gemaakt, en hem bedreigd, als zoo iets nog geschiedt, dat hij niet meer zal mogen gaan schaatsenrijden met de jongens zijner klas. Die straf schijnt mij maar klein: zij weten zeker niet, dat het een voorwerp van zoo groote waarde was.

Eens, dat ik met mijnen verren neef uitgegaan was, bleven wij staan voor een bronzen groepje, eene verkleining van de Ariane op den panther van Dannecker. Ik deed hem er al de schoonheden van bemerken; hij kon het niet genoeg bewonderen.