Rosalie Loveling

Het Noodlot uit: Gedichten, 1870

I

Zij lag nog in haar wiegje
In zoete kinderrust;
-- Ik zal haar alles geven,
Wat maar haar hartje lust.

Hij zag ze de oogjes oopnen,
Hij kent haar zoeten lach;
-- Zij zal de vreugde wezen
Van mijnen ouden dag!

-- Zij zal 't mij eens vergelden
Dat ik die droeve straf,
Dat ik geen tweede moeder
Aan hare kindsheid gaf.

II

Hij spreekt van haar zoo zelden,
En denkt zoo veel aan haar;
Zij ging uit vaders woning,
Zij was maar zestien jaar!

Och, 't water zoekt de dalen,
Het loof zwerft met den wind;
Wat zegt zij aan het noodlot:
Laat mij mijn eenig kind.

Hij zag voor haar de toekomst
Zoo kommerloos en hel,
En ze is zoo jong gestorven
In hare kloostercel.