Rosalie Loveling

De Verzoening 1862

Grootmoeder zat in den wagen,
En al de kinders erbij;
'Ik moet er zelv' naar toe gaan,
'Ik ben de jongste,' sprak zij.

Haar oudste broer kwam haar tegen,
Aan d'ingang van zijne woon,
Het haar om den kalen schedel,
Gelijk ene zilveren kroon.

't Was de speelgenoot harer kindsheid,
Zij zuchtte, en zij zei: 'Och Heer!'
En hij hielp ze van den wagen,
En hij zette de kinderen neer.

Zij spraken van geen verzoening,
Noch lang verleden geschil;
'Hij hoort niet meer," sprak zijne dochter,
'Maar hij ziet nog zonder bril.'

Zij zaten weder tesamen
Aan tafel, de oude liên;
Grootmoeder zei dat ze elkander
in geen dertig jaar hadden gezien.

Toen beefde er een traan in hare ogen;
Maar zij was zoo in haar schik,
En zij sprak tot zijne dochter
'Hij is zeven jaar ouder dan ik.'

Hij toonde haar 't vee op de stallen,
En hij toonde den oogst op het land.
Ginds waren het vroeger al bossen,'
Dit wees hij haar met de hand.

't Is vader die ze uit heeft doen rotten,
- Ge waart nog te klein,' zei hij.
'Ge kunt daar niet van weten:'
En toen knikte en toen glimlachte zij.

Zoo zagen zij elkanderen
In diepen ouderdom,
De scheemring van het leven,
In 't vaderlijk huis weerom.

De oude man zei niet veel, toen zij heen was,
Hij zat peinzend in den hoek;
Grootmoeder reed zwijgend huiswaarts;
Dat was haar laatste bezoek.