Rosalie Loveling

De vluchteling uit: Gedichten, 1870

De najaarszon zonk achter
Het donker dennenbosch,
En wemelde in de stammen,
En schitterde op het mos.

De vluchtling aâmde dieper,
Hij aâmde vrije lucht,
Hij brak door braam en blâren,
En slaakte een zwaren zucht.

Hij glimlacht als hij weder
Zijn strooien dakje ziet,
En dwingt terug de trane
Die voor zijn blikken schiet.

Hij komt: hij ziet zijn moeder,
Maar zijne zuster, ach!
Zij kwijnde gansch den zomer,
En stierf dien zelfden dag.

Hij stapte zwaar en zwijgend
Tot voor haar sponde in huis,
En zegende de doode
Op 't voorhoofd met een kruis.

En over 't eenzaam huisje
Zonk 't duister van den nacht,
Totdat de nieuwe morgend
Er nieuwe rampen bracht.

De doodsklok bromde 's ochtends
Voor 's meisjes dood al vroeg,
En weer bij 't avondnaadren
Toen men in 't graf haar droeg.

Haar broeder knielde neder
Op den bedauwden grond,
Een weemoedvolle glimlach
Beefde om zijn bleeken mond.

De meisjes uit het dorpjen
Versierden stok en staf,
En hechtten eene krone
Op 't terpjen van haar graf.

Men ving den vluchtling weder,
Men sloot den kerker dicht.
Geen mensch weet thans het plekje,
Waar hij begraven ligt.