Rosalie Loveling

Uwe Tweede Vrouw 1874, uit: Polydoor & Theodoor en andere Novellen en Schetsen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever, 1883.

1e gedeelte

Als uwe eerste vrouw begraven werd, en gij de zon zaagt nederdalen, scheen het u, dat die voor u nooit meer op ging staan. Gij zocht geenen troost, gij verlangdet er geenen, gij wildet eenen eeuwigen rouw in uw hart bewaren. Nochtans, wij ondergaan allen den invloed van den tijd, en kunnen wel den rouwband aan onzen hoed, maar niet de treurnis in ons hart behouden. De natuur duldt geenen eeuwigen rouw; het dagelijksch leven wordt allengs hernomen, de gewone bezigheden minder verwaarloosd; men wordt er aan gewoon naar hen niet meer te verlangen, die niet terugkomen kunnen, en niet meer uitsluitend aan hen te denken; de levenden nemen de plaats der dooden in, en de troost dringt zich aan ons op: hij komt ongezocht, ongeroepen, ongewild.

Als uwe vrienden, weken daarna, u bestormden, en door hun liefderijk gesprek en herhaalde pogingen om u op te beuren, u den eersten glimlach afdwongen, verweet gij u dien, als eene ongetrouwheid aan uwe smart; doch het ging met u als met allen, er kwam een tijd, dat gij getroost waart. Getroost, maar daarom niet minder te beklagen; want dan eerst gevoelen wij, dat onze verlorenen ons voorgoed ontnomen zijn, als wij ons over hun verlies getroost hebben.

Gij waart wel ongelukkig en voeldet nu al het treurige uwer eenzaamheid, al den last van uwen toestand. Een der grootste fabrikanten onzer stad, in handelsbetrekking met de verstafgelegene landen, voorzitter van het handelstribunaal, en weduwenaar met drie kinderen, waarvan het oudste nauw vier jaar telde, ja die last was wel groot!

Zoo sukkeldet gij een paar jaren voort; de kinderen moesten aan vreemdelingen en dienstboden overgelaten worden, en als de eene of andere uwer getrouwde zusters, die beide eene andere stad bewonen, al eens overkwam om voor de kleederen der kleinen te zorgen, en in de huishouding wat orde te brengen, klaagden zij veel, dat alles, alles verwaarloosd was, ofschoon men dat bij 't eerste gezicht niet gewaar werd, en rieden u aan, in het belang der kinderen zelven, er eens aan te denken, of het niet best voor u ware te hertrouwen.

De eerste maal verwierpt gij die gedachte, als eene belediging der dierbare doode aangedaan; maar zij kwam weder, gij werd er aan gewoon ze te gedoogen, en begont naar uwe verwanten en vrienden te luisteren, als zij er u van spraken.

"Ge zijt geen mensch," zegden zij, "om uw vermaak buitenshuis te zoeken; gij moet uw geluk aan uwen eigen haard vinden; gij mist het genot van 't huiselijk leven, dat gij altijd op zulk eenen hoogen prijs hebt gesteld."