Rosalie Loveling

3e gedeelte Uwe Tweede Vrouw

Gij houdt u zelven voor eenen braven mensch, en dat doen ook allen, die u kennen. Gij zoudt niet aan den geringsten uwer werklieden het minste leed willen toebrengen. Uwe kinderen zijn u boven alles lief, en als gij aan een tweede huwelijk denkt, hebt gij ook altijd daarbij het geluk der meisjes voor ogen.

Als gij uwe twee zusters en uwen broeder bij u riept, en hun verklaardet op wie uwe keuze gevallen was, zegden zij alle drie te gelijk, ja, dat het wel dàt meisje was, dat ge moest ten huwelijk vragen, en geene andere. Gij waart verheugd en gerustgesteld; nu was het wel zeker, dat uwe aangroeiende genegenheid voor haar u niet verblindde, mits allen uwe keuze goedvonden, en zij de vreemdelinge met opene armen in de familie wilden aanvaarden.

Nu vraagt gij u af, of zij uwe hand niet zal weigeren, en gij schrikt bij die gedachte. Gij denkt na, wat gij haar te bieden hebt, en gij verheugt u over uwen rijkdom. Ja, gij kunt haar al den welstand en al de onafhankelijkheid teruggeven, die zij in haar ouders woning gekend heeft, en haar blijde dagen in uwen huiselijken kring bereiden.

Waarom zou dat meisje uwe hand weigeren? Gij wordt algemeen als een rechtschapen man aangezien, geacht en bemind; uw omgang is aangenaam, uw stand in de maatschappij schitterend. Zij hoort enkel goed van u, en wil er gaarne in toestemmen de moeder uwer kinderen te worden. Uwe kinderen, ha! dat is uw geliefkoosd gesprek met haar, en ofschoon zij weinig ondervinding heeft, en nooit met kleine kinderen heeft omgegaan, misschien omdat ze zoo weinig ondervinding van dien aard heeft, vindt zij er geene zwarigheid in de jonge meisjes tot moeder te verstrekken. Gij vraagt haar, gij doet haar beloven, dat zij ze als hare eigene kinderen zal beschouwen en behandelen en liefhebben. En dat doet zij: eene plechtige belofte; die zij nooit zal vergeten, want het plichtgevoel is bij haar diep ingeworteld.

Er was één man, aan wien gij uwe bruid moest voorstellen, en van wien gij bang waart; dat was de vader uwer eerste vrouw. Uw hart klopte, wanneer gij met de jonge vreemdelinge in zijne tegenwoordigheid gebracht werd, alsof deze ten minste u misprijzen moest. Maar hij ontvangt haar zeer gulhartig; op zijne trekken is zelfs geene ontroering te bespeuren. Is het uit goedheid, dat hij haar verbergt, wat hij gewaarwordt bij het zicht der vrouw, die de plaats van zijn eenig kind gaat bekleden, of is die man meer gewoon vóór zich in de toekomst te blikken, en te onderzoeken, wat er te doen valt, dan steeds met weemoed in het verleden achteruit te zien? Althans hij schijnt met uwe bruid ingenomen, en zegt haar, dat gij hem altijd een ware zoon geweest zijt, en zij de gelukkigste vrouw der wereld zal wezen, aangezien er geen edeler hart dan het uwe bestaat.

Hij weet meer van uwe bruid dan gij denkt, hij heeft de beste inlichtingen over haar ingewonnen. Hij hoopt, dat ze gelukkig zal zijn en de anderen gelukkig zal maken, en "Gij moet mij beloven," zegt hij tot haar "dat gij waarlijk de moeder mijner kleinkinderen zult zijn." En dat doet zij, van ganscher harte, en zegt, dat zij ook die kinderen zal leeren hunne eerste moeder niet te vergeten, en er hun alle dagen zal van spreken.