Rosalie Loveling

Het weeskind

I

Daar liep het met zijn blote voetjes
  Voor 't open raam in 't warme zand;
De grote hond sprong op zijn kleedje,
  En likte strelend zijn hand.

Het lachte zachtjes toen op de oude vrouw:
  Zijn kinderhartje sloeg zo warm,
Het was zo vlug, het was zo grillig,
  Zo wild, zo klein en, och, zo arm!

Zijn donker haar hing in zijn oogjes,
  De zon verbrandde de armpjes bloot,
En de oude zei: "'t Ziet mij zo gaarne,
  Het is zo braaf, het wordt zo groot."

II

In huis zit de oude vrouw te spinnen;
  De hond strekt zich voor 't houtvuur uit;
De rode vlam verlicht het huisje,
  En schittert op de groene ruit.

De hond kwam zachtjes voor haar zitten,
  Hij keek haar aan, zijn staart bewoog;
"Ja, 't kind is heen," zo zuchtte de oude,
  Een heldre traan in 't duister oog.

"Het is een engeltje in Gods hemel,
  Arm dier, hij weet van wie ik spreek,"
Zei zij, terwijl ze traag heur vingren
  Langsheen zijn gladde haren streek.